Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschikking van den koning, die echter opnieuw zijn vertrouwen in Canalejas uitsprak en hem machtigde tot de veranderingen in zijn Kabinet, welke hij noodig oordeelde. Het kwam slechts tot een verwisseling van portefeuilles tusschen de ministers van Openbare Werken, Binnenlandsche Zaken en Onderwijs. Den 6d<m Maart kwamen de beide Kamers weder bijeen en op het einde van Maart openden de radicalen in de Kamer de lang uitgestelde Ferrer-campagne. De positie was voor het Kabinet netelig. Want eenerzijds moest het de beginselen van de regeering en van de militaire rechtspraak verdedigen, anderzijds kon het dat, althans naar het oordeel van de conservatieven, niet met voldoenden nadruk doen, omdat weliswaar de onaanvechtbaarheid van het vonnis werd vooropgesteld, maar daarnaast de noodzakelijkheid van herziening van de wet op de militaire rechtspraak werd toegegeven. Ook in militaire kringen was men over de houding van de regeering niet te spreken. Aldus diende het ministerie den lsten April opnieuw zijn ontslag in. Met instemming van de conservatieven en liberalen werd Canalejas weder met de vorming van een Kabinet belast. Hij maakte daarvan gebruik om de ministers van Oorlog, Marine en van Financiën door anderen te vervangen.

Inmiddels duurde de onrust in het land voort. Te Barcelona en te San Feliu de Llobregat kwam het tot botsingen tusschen radicalen en R. Katholieken. In de Kamer zetten de republikeinen en de socialisten de Ferrer-campagne voort en de Marokko-affaire was aanleiding van voortdurende aanvallen van de radicale zijde. Ernstiger waren intusschen de herhaalde stakingsonlusten. Het begon midden Juli te Saragossa; Barcelona volgde in Augustus en ten slotte verkeerde het geheele N. lijke industriegebied, met Bilbao als middelpunt, in opstand. Den 12den September kondigde de regeering den staat van beleg af en zond zij 5000 man troepen om de beweging te onderdrukken. Zij breidde zich nochtans'uit over Saragossa, Barcelona en Valencia, alsmede over enkele Z. lijke districten. Te Barcelona werd een revolutionnair comité gevangen genomen, waarna den 19den September de constitutioneele waarborgen voor geheel Spanje werden opgeheven. De onlusten bleven echter nog voortduren en eerst den 21Bten October werd het decreet omtrent de schorsing van de grondwettelijke waarborgen weder ingetrokken. Ondanks al deze moeilijkheden waren toch enkele belangrijke wetsontwerpen behandeld; zco werd, hoewel de vroegere minister van Financiën Urzaiz, zich erhevig tegen verzette in de Kamer, den 15dcn Maart een ontwerp aangenomen, betreffende de amortisatie van de buitenlandsche schuld binnen 50 jaar. Ook het opnieuw ingediende wetsontwerp op den persoonlijken dienstplicht werd den 28stt:I' Maart door den Senaat, den 13den Mei door de Kamer van Afgevaardigden aangenomen. In Juni kwam een wet op de afschaffing van de accijnzen tot stand.

De buitenlandsche staatkunde stond onafgebroken in het teeken van het Marokko-vraagstuk. De afwijzende houding van Marokko tot aan September 1910, beantwoordde Spanje met een scherpe nota aan den sultan. Deze besloot daarop midden September om El Mokri voor het voeren van mondelinge onderhandelingen naar Madrid te zenden. Toch duurden deze nogtot middenNovember,omdat

El Mokri de Spaansche eischen op schadevergoeding voor te hoog verklaarde. Den 17den November kwam eindelijk de Spaansch-Marokkaansche overeenkomst tot stand.Marokko verplichtte zich totbetaling van 65 millioen peseta'sbinnen75jaarmet3%rente.

Als garantie houdt Spanje het Rifgebied met onbeperkte autoriteit bezet tot volledige betaling. Het zorgt voor een politie-troep en benoemt den kaïd van het grensgebied met Ceuta. Bovendien stond Marokko Santa Cruz de (la) Mar Peguena, dat reeds bij den vrede van Tetuan van 1860 was afgestaan, opnieuw af en stemde het toe in het oprichten van douane-stations te Melilla en te Ceuta. Den 5den Januari 1911 vertrok koning Alfonso naar Melilla, waar hij het gedenkteeken voor de gevallenen in den Rif-veldtocht onthulde.

Begin April braken in Marokko nieuwe onlusten uit. Aanvankelijk liet Spanje het aan Frankrijk over om deze te dempen. Maar reeds op het einde van April zond het een groote afdeeling troepen naar Marokko, om zijn positie in de N. Marokkaansche invloedsfeer te verdedigen tegen de ver strekkende plannen van Frankrijk. In het begin van Mei gaf Canalejas uitdrukking aan het misnoegen van Spanje over Frankrijk's optreden te Fez. Spoedig daarop volgden nieuwe zendingen van troepen; eerst naar Ceuta, vanwaar uit de kust tot aan Kaap Negro werd bezet, daarna, in begin Juni, ook naar Larrasj, dat moest dienen als basis voor verdere expedities naar het N. W. lijk binnenland. Dit gaf aanleiding tot steeds levendiger geschillen tusschen beide landen, vooral omdat de Franschen het aan uitdagingen op het gebied, waarover de strijd liep, niet lieten ontbreken, welke dan door den Spaanschen aanvoerder, Silvestre, hardhandig werden teruggewezen. Op het einde van Juli kwam het tusschen beide landen tot een modus vivendi, ofschoon, met name in Frankrijk, de stemming zeer prikkelbaar bleef. Ook in het O. drong Spanje uit Melilla verder landwaarts in, W. lijk tot den Wadi Kert, O. lijk tot aan de Moeloeja. Daarbij kwam het in September aan den Wadi Kert tot ernstige gevechten met de Rifbewoners, waarin de Spanjaarden, zij het na belangrijke verliezen, overwinnaars bleven. Begin October kwam het tot een botsing met de Marokkaansche harka. De Spanjaarden verloren generaal Ordonez en een groot aantal manschappen, maar hielden den overtocht over den Wadi Kent vrij. Op grond van dit succes, weigerde Spanje om te voldoen aan den eisch van Frankrijk om het bezette terrein in N. W. Marokko, in het bijzonder Larrasj en Elksar, te ontruimen. De moeilijkheden daarover gaven de Spaansche regeering in het begin van November aanleiding tot het openbaar maken van het geheime Fransch-Spaansche verdrag van den 3de" Otcober 1904. Daaruit bleek de ongegrondheid van Frankrijk's eisch, omdat daarin uitdrukkelijk de invloedssfeer wordt toegewezen, waarop het aanspraak maakt en die begrensd wordt door een lijn evenwijdig aan de N. kust van LarrasjElksar tot aan de Moeloeja. Inmiddels duren de onderhandelingen nog voort, ofschoon Frankrijk, zonder het einde daarvan af te wachten, zijn protectoraat over Marokko heeft gevestigd.

Spie. Zie ook Wig.

Staatshoofd noemt men dengene in den Staat, die met het hoogste gezag bekleed en van geen ander gezag afhankelijk is. Dat hoogste gezag zelf

Sluiten