Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

§ 322. Hoewel men door de leer der projectiën eene zoo nauwkeurige voorstelling van een voorwerp kan verkrijgen, dat liet naaide teekening kan worden vervaardigd, zoo geeft toch die teekening nog niet met eet) enkelen oogopslag een duidelijk beeld van het voorwerp. Niet alleen is een aanhoudend vergelijk van de beide projectiën noodig, maar ook wordt er veel oefening vereischt, om zich uit die projectiën eene juiste voorstelling van het voorwerp te vormen. Daarom laat men de projectieteekening van een voorwerp — b. v. van een gebouw — dikwijls vergezeld gaan van eene perspectievische teekening (§ 1), waarop het voorwerp is afgebeeld zooals het zich, van uit een bepaald standpunt gezien, aan het oog voordoet.

Wij merken hierbij dadelijk op, dat men de voorwerpen nimmer in hunne juiste gedaante en afmetingen ziet; plaatst men zich aan den ingang van eene lange laan, zoo schijnt de uitgang veel nauwer dan de ingang; overziet men eene lange straat, zoo schijnt het dat de lijn der daken de grondlijn der huizen nadert; enz. In de perspectievische teekening, die zoo getrouw mogelijk den indruk moet weergeven welken het voorwerp op ons maakt — mits zij gezien worde uit het punt, waar het oog zich bij hare vervaardiging bevond — treffen wij dan ook de juiste afmetingen niet meer aan. Verder zal het duidelijk zijn dat de gegeven voorstelling eerst dan eene volkomen afbeelding zou worden, indien zij in al hare punten gelijke tint, kleur en lichtsterkte verkreeg als in het voorwerp zelf. Aangezien dit onderdeel echter weder behoort tot de luchtperspectief (zie § 304) zoo zal het geen onderwerp van onze beschouwingen uitmaken.

Hoezeer men zich tot het vervaardigen van zulke afbeeldingen wel van gebogen vlakken, en zelfs van een stelsel afzonderlijk staande

Sluiten