Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GEWONE PERSPECTIEF.

§ 324. Bij de gewone perspectief valt het volgende op te merken aangaande de betrekkelijke plaatsing van oog, tafereel en voorwerp.

Men plaatst het oog zoo ten opzichte van het voorwerp, dat men er dat gedeelte van ziet, hetwelk men op de teekening wil verkrijgen, hetzij omdat dit gedeelte het meest belangrijk is, hetzij omdat van uit die standplaats het voorwerp — b. v. een gebouw — het gunstigst voorkomt. Loodrecht op de hoofdrichting, waarin wij zien, plaatsen wij nu het tafereel tusschen het oog en het voorwerp en wel zoodanig, dat dit tafereel nagenoeg in het midden door die hoofdrichting gesneden wordt. Om dit snijpunt, zijnde dus de projectie van het oog op het tafereel — het oogpunt der teekening moet zich het overige als het ware groepeeren.

Verplaatsen wij het tafereel evenwijdig aan zich zelf, zoo zal de teekening gelijkvormig blijven; zij wordt alleen kleiner naai mate het tafereel dichter bij het oog gebracht wordt. In het volgende zullen wij daarom onderstellen, dat het tafereel zeer dicht bij liet voorwerp geplaatst is. Zou hierdoor de teekening te groot worden, zoo behoeft men de projectieteekening van het voorwerp slechts te verkleinen naar zekere schaal alvorens de perspectiefteekemng te maken.

Evenzoo kan men de projectiën van een klein voorwerp vergrooten, voordat men overgaat tot het vervaardigen van de perspectivische tcckcnm0'.

Wat de afstand van het oog tot het voorwerp betreft, zoo mag men dezen vooreerst niet te klein nemen, wil men «ene behoorlijke teekening verkrijgen. Is b. v. A (Fig. 263) het voorwerp - een rechthoekig parallelopipedum — dat in perspectief moet gebracht worden, GL de grondlijn en O het oog, en zijn a, b en c de projectiën op het grondvlak van de gelijke verticale ribben, dan zullen a', b' en c' de horizontale projectiën zijn van de doorsneden

Sluiten