Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slechts de grondlijn RL, den oorsprong R en de richting der lijn RO" noodig, om door het naar behooren uitzetten van de lijnen Rat = d', a,a = b' en ae = h' dadelijk de perspectief e van het punt E te verkrijgen.

ยง 340. Wordt eene aangenomen lengte-eenheid, van den oorsprong R af, een aantal malen na elkander op de assen uitgezet, dan gaan die assen in schalen over, zoodat dan RL de schaal der breedten, RY die der diepten en RZ die der hoogten is.

In het als vlak van teekening aangenomen tafereel (Fig. 271) blijven de deelpunten op de schalen RL en RZ hunne ware plaats behouden; de deelpunten op de schaal der diepten echter kunnen op het tafereel slechts door hunne perspectieven aangewezen worden. Deze perspectieven worden onmiddellijk door eene bekende constructie gevonden. Na namelijk den oorsprong R met het oogpunt O" vereenigd te hebben, zetten wij de lengte-eenheid eenige malen na elkander van R af op de grondlijn RL uit, en trekken uit de deelpunten ^ . 2, 3, 4, enz. hierdoor in de grondlijn verkregen, lijnen naar het distantiepunt D, die nu RO" in overeenkomstige punten 1,2, 3, 4, enz. snijden; deze snijpunten zijn dan de perspectieven van de deelpunten op de schaal der diepten. Nadat deze punten in de lijn RO" aangewezen zijn, is dan RO" de in perspectief gebrachte schaal der diepten; zij draagt als zoodanig den naam van de wijkende schaal omdat zij onmiddellijk voor elk getal lengte-eenheden, waarop eenig punt zich achter het tafereel bevindt, de perspectievische diepte en wijking van dat punt aanwijst.

Zetten wij de lengte-eenheid van af R achtereenvolgens ook op RZ uit, zoo is de lijn RZ met de daarin verkregen deelpunten 1,2, 3, 4, enz. de schaal der hoogten, terwijl RL met de daarin reeds aanwezige deelpunten de schaal der breedten is. Trekken wij nu uit O" lijnen naar al de deelpunten van RL en RZ, en trekken wij vervolgens uit al de deelpunten der wijkende schaal zoowel horizontale als verticale lijnen, dan worden deze door de uit 0" getrokken lijnen zoodanig verdeeld, dat zij voor elk deelpunt van de wijkende schaal bijzondere schalen van perspectievische breedte en hoogte opleveren.

Na voor eene aangenomen eenheid een dergelijk perspeclievisch net vervaardigd te hebben, kan men onmiddellijk de perspectief aanwijzen van elk punt, waarvan de werkelijke breedte, diepte en hoogte in getallen gegeven zijn. Laat b. v. van zulk een punt de breedte 4, de diepte 2 en de hoogte 6 zijn, dan is lm, de perspec-

Sluiten