Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heffen. Als geestelijk-zinnelijk wezen is hij een redelijk wezen en wat wij zedelijk noemen, in formeelen zin, is in bedoelde redelijkheid mede opgesloten. Toch heeft het spraakgebruik recht dat, van den menseli sprekende als redelijk-zedelijk wezen, tusschen redelijkheid en zedelijkheid onderscheid maakt. In de redelijkheid van den menseli zien wij hoofdzakelijk een theoretisch element op den voorgrond treden, waarmede wel gewoonlijk praktische neigingen verbonden zijn, maar niet in die mate dat wij daarbij te denken hebben aan een drang om bestaan en gedrag te regelen overeenkomstig vaste nonnen. Eene redelijke levensuiting valt soms op te merken, zonder dat .wij daarbij te denken hebben aan eene wilsbepaling die naar een zedelijk doel streeft. Denken wij hier aan een zedelijk doel, wij hebben dan het oog op bedoelingen, waarbij ons ik als geestelijk-zinnelijke eenheid op den achtergrond treedt in het.belang van overwegingen die boven den kring van onze pereoonlijke neigingen uitgaan. Elke zedelijke levensuiting is redelijk, maar niet elke redelijke levensuiting is zedelijk (van Bell t. a. p. bl. 239). In deze verhouding van het redelijke en het zedelijke ligt mede de oorzaak, waarom in ons spraakgebruik wel eens in zeker verband als zedelijk wordt beschouwd, wat in ander verband loch buiten het gebied van het zedelijke wordt gesloten. In het eerst-bedoelde geval wordt dan van zedelijk gesproken, waar eigenlijk het redelijke bedoeld wordt. Bij het eigen 1 ij V-zedelijke wordt altijd gedacht aan verschijnselen of toestanden, die door het zoogenaamd zedelijk oordeel als goed of niet-goed worden beschouwd. Wordt hier aan nuttig of schadelijk gedacht in plaats van aan goed of niet-goed, dan heeft men öf zich op utilistisch standpunt geplaatst öf voor zoover men enkel denkt aan wat voor de gemeenschap nuttig of schadelijk is, de meening aanvaard dat men het woord zedelijk wel als synoniem met sociaal kan beschouwen (H. Schtjltz. Religion und Sittlichkeit in: Stud. u. Krit. 1883 S. 60—130), wat zeker ten minste als aprioristisch oordeel verre van aannemelijk is. De vraag, of de mensch als zedelijk wezen godsdienstig, dan wel als godsdienstig wezen zedelijk is, wordt zeker het best in dezen zin beantwoord, dat de mensch als redelijk wezen gelijkelijk op Godsdienst en zedelijkheid

Sluiten