Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is aangelegd. Op dezen aanleg (Gen. 1 : 26, 27) moet nadruk worden gelegd (H. Weiss. Einleitung in die Chrislliche Ethik S. 187) tegenover Neo-Kantianen, die wat aanleg pleegt te heeten öf als historisch geërfd öf als persoonlijk verworven raeenen te moeten beschouwen, met miskenning van het recht der overtuiging, dat in ons leven niets kan te voorschijn treden als het geen grond vindt in ons wezen. Wat historisch — al of niet door overerving — geworden is zou bloot toevallig of ook enkel subjectief kunnen zijn, als het niet geacht mocht worden in den natuuraanleg gegrond te zijn. Door Schleiermacher en Rothe zijn te dezen aanzien beginselen bepleit, waarvan men niet kan afwijken zonder den ernst des zedelijken levens in gevaar te brengen. Het is volkomen waar, dat de mensch zijn zedelijk leven, zoowel individueel als sociaal, heeft te veroveren, maar wat alzoo potentieel in ons aanwezig blijkt te zijn, moet tevens beschouwd worden als van — ten minste eenige — actueele waarde (Prof. Cannegieter in eene repliek aan Dr. Fkaxcken. Geloof en Vrijheid XXI). Is het noodig den zedelijken aanleg als algeineen-nienschelijk te beschouwen, men kan de vraag stellen, of deze aanleg als specifiek-menschelijk moet worden aangemerkt (Hoekstra. Zedenleer I bl. 79' vv.). Wij werpen hier deze vraag niet op met het oog op de dierenwereld, waarop wij reeds de aandacht vestigden, maar met het oog op bovenzinnelijke wezens eener hoogere wereld. Het is niet de vraag, of de zedewet voor alle redelijke wezens verbindende kracht heeft — wat wel niet kan worden ontkend — maar of het karakter van zedelijk wezen ook moet worden toegekend aan wezens die men zich voorstelt als aan de verleiding der zinnen niet onderworpen. Gode zedelijkheid toe te kennen, behoeft men nog niet te beschouwen als strijdig met eene der Godheid waardige voorstelling, om toch te meenen, dat men wèl doet, als men de zedelijkheid uitsluitend met de menschclijke natuur verbindt, vooreerst, dewijl de mensch een zinnelijk-geestelijk wezen is, ten andere ook, dewijl hij tot gemeenschapsleven bestemd is. Men kan hier ook de opmerking te berde brengen, dat zedelijk leven als historisch leven optreedt en dat enkel wezens die eene ontwikkeling doorloonen als zedeliik kunnen gelden. Overigens is het wel noodig te

Sluiten