Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewegung im Organismus der Menschheit, Quételet. Phijsique sociale). Het is vrij wat gemakkelijker zich onverschillig af te wenden van christelijke geloofsovertuigingen waarin op het gebied van hamartiologie en soteriologie een organische samenhang der menschheid of der gemeente wordt ondersteld, dan de feiten te loochenen waarop die onderstelling gebouwd is, en de moeielijkheden waarmede men te worstelen heeft bij de wijsgeerige behandeling van zoo menig zedelijk feit in de geschiedenis der menschheid en onzer samenleving zijn wel geschikt om den apologeet der christelijke dogmatiek te overtuigen van zijn recht om het licht van zijn geloof te doen schijnen op dit donker gebied.

Ook hier moet intusschen bij het gebruik van beeldspraak, waaraan men zich niet onttrekken kan, voorzichtig gehandeld worden. De aard der gemeenschap die in de menschenwereld bestaat wordt gemeenlijk aangeduid door op het begrip organisme te wijzen, en bepaaldelijk hecht men _ in navolging van wat de oudheid aangaande Menentos Agrippa verhaalt — waarde aan het beeld van een lichaam ter aanwijzing van het onderling verband der menschen. Lichtelijk wordt hier voorbijgezien , dat de individuen ten aanzien van het geheel waartoe zij belmoren eene andere beteekenis hebben dan de deelen des lichaams. Het gaat niet aan van rechten te spreken, die de bijzondere deelen van het lichaam tegen het lichaam in zijn geheel zouden kunnen doen gelden. Zij hebben zelfs, afgescheiden van het lichaam, geene zelfstandige waarde. De gemeenschap der menschen daarentegen mag niet beschouwd worden als uitsluitend als zoodanig van wezenlijke waarde. Integendeel, zij heelt hieraan behoefte dat de individuen, waaruit zij gevormd wordt, elk op zich zelf beteekenis hebben. Zij zal te hooger te schatten zijn naarmate zij te rijker is in geestelijk-krachtige individuen. Dat men „Gode meer gehoorzaam moet zijn dan den menschen" (Hand. 5:29) is eene uitspraak waarmede de individu in rechtmatige fierheid zich plaatst ook tegenover de gemeenschap, als het zijn moet, en dat wèl in naam van God, voor wien alle menschelijke macht, in welke gemeenschap ook vertegenwooidigd, zich heeft te buigen, en geen „staat" of „kerk" is voorspoedig, als men zich ontdoet van personen die op eene hoogte van persoonlijke

Sluiten