Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noodwendig, als booze begeerten de overhand verkrijgen. Het plichtbesef spreekt te zwakker, naarmate de zedelijke ernst minder wordt, en de hoogte van het ideaal daalt met die van den algemeenen zedelijken staat van den mensch. Tegenover de zonde en het zedelijk bederf, daardoor gewerkt, stelt het Christelijk geloof de geestelijke krachten, waarmede het Christendom in de wereld optrad. In het gemeenschapsleven met God, waartoe Christus zijne volgelingen leidt, wordt de innerlijke kracht gestaald. In de levensvernieuwing, die de Christen ondergaat, blijkt van den aanvang af, dat het oog is gescherpt voor de onderscheiding tusschen het goede en het booze. Door het geloof, dat ons met Christus één maakt, ontwaakt het besef dat wij aan de navolging van zijn voorbeeld gebonden zijn, en tevens rijst daardoor ons ideaal tot de hoogte van het zijne (2 Kor. 6:14—7 :1).

Wil men het proces des zedelijken levens in zijnen rechten aard leeren kennen met de krachten die zich daarin werkzaam betoonen, men heeft daartoe gelegenheid, als men de leer der heiligmaking — zooals het heet in de Christelijke levensleer — onderzoekt. Nergens meer dan hier raken elkander de dogmatiek en de ethiek, dewijl ook nergens duidelijker dan hier blijkt dat godsdienstig en zedelijk leven met elkander nauw verband houden. De „heiligmaking" is inderdaad een proces van zedelijk leven, dat zijn voltooiing zoekt in wezenlijke reinheid. Men heeft wel reden om aan de „rechtvaardiging" het karakter van het volstrekte toe te kennen met het oog op uitspraken onzer heilige Schriften, maar wachte zich er wel voor in de „heiligmaking" het begrip van het betrekkelijke ter zijde te stellen. Het is eene zonderlinge „nieuwe" reformatie, die de reformatie der 16de eeuw meent aan te vullen, door de „heiligmaking ' van haar historisch karakter te ontdoen. Het woord „heiligmaking" — waarbij men lette op het onderscheiden gebruik van dyuoov vij en ayiaofiög in het N. T. als in Rom. 1:4,2 Kor. 7:1, Bom. 6:19,22, 1 Tim. 2:15, Hebr. 12:14, 1 Petr. 1:2, 1 Thess. 4:3, 2 Thess. 2:13 — moet ons niet op een dwaalspoor leiden. Het Oud-Testamentische begrip heiligheid — wat het woord ook oorspronkelijk beteekene — ontving in elk geval van lieverlede eene zedeliike beteekenis, al bliikt uit 1 Kor. 1:30

Sluiten