Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nadenkenden te dezen aanzien op een dwaalspoor te leiden. In een tijd, waarin de zedelijke wilskracht zooveel te wenschen overlaat, is het lubbel noodig, dat geen voorstellingen worden gekweekt volgens welke tiet onbehoorlijke zijn afschrikkend karakter voor eenig individu verliest. Ontegenzeggelijk is het heil der menschheid met eene ernstige opvatting van den zedelijken strijd ten nauwste verbonden.

De zonde vertoont zich in veelheid van vormen, en het is wel gebleken in den arbeid der zedekundigen, dat het niet gemakkelijk is haar karakter met eenen enkelen trek juist te bepalen. Hare macht met die Ier zinnelijkheid op zich zelve te vereenzelvigen, gaat zeker niet aan. Beter is het haar wezen in de zelfzucht te zoeken, maar terwijl hierbij Ie onderscheiding tusschen het empirische en het ideale ik noodwendig -jp den voorgrond treedt — dewijl in geen geval den mensch verboden wordt ook zich zelf lief te hebben — mag wel de beschouwing onzer lieilige Schriften worden gehiddigd, volgens welke van zonde allereerst in betrekking tot God wordt gesproken, zoodat feitelijk de zedelijke strijd ook in het eigen ik als een strijd voor of tegen God optreedt.

De Christelijke Theologie moet ongetwijfeld in hare dogmatiek de leer Ier zonde behandelen. Maar daarmede is niet gezegd, dat de zedekunde zich ontslagen kan achten van de taak om over de zonde te spreken. De dogmatiek handele over de zonde, als waardoor de toestand van den mensch, erfelijk zoowel als feitelijk, bepaald wordt, in verband met de leer der verlossing. De zedekimde heeft met de zonde te doen, als met Ie macht waardoor het zedelijke leven in zijne ontwikkeling belemmerd wordt. Treedt in de dogmatiek de zonde nadrukkelijk als schuld op, in Ie ethiek is zij bepaaldelijk hinderpaal voor de zedelijkheid. Uit den aard Ier zaak is dus hier elke zonde en de zonde in het algemeen als actueel te beschouwen, dewijl ook erfelijke belemmeringen hier beteekenis hebben, juist omdat en in zoover zij heilloozen invloed op het betrokken subject uitoefenen. Door de zonde is het zedelijke leven een strijd met voortdurende hindernissen (Hebr. 12 :1).

Werd de zonde reeds oudtijds, als door Augusthtus, negatief genoemd, men kon dan bedoelen te kennen te geven, dat enkel als posi-

Sluiten