Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofflzakelijk als betrekkingsleven beschouwd en dat wèl met het oog uitsluitend op sociale verhoudingen, men zal dan natuurlijk anders spreken over de wijze waarop de deugd zich openbaart, dan wanneer men het zedelijk subject allereerst op zich zelf beschouwt of ook terstond rechtstreeks met God in verband brengt. Het spreekt van zelf, dat zij, die meenen het zedelijke leven zuiver en volledig te beschrijven als zij het begrepen achten in de tegenstelling van egoïsme en altruïsme, gemakkelijk er toe komen de deugd te laten optreden in den dubbelen vorm van zelfverloochening, waarin — om zoo te zeggen — het egoïstische , en zelfverwezenlijking, waarin het altruïstische ik zich deugdzaam betoont. Over het algemeen is weinig heil te verwachten van de onderscheiding der deugden, al moet natuurlijk in de plichtenleer wel degelijk de deugd in onderscheiden deugden worden gesplitst of — liever gezegd — van de eene en ondeelbare deugd worden gesproken als in verschillende vormen optredende. Yan bijzonder weinig nut is zeker de onderscheiding van wezenlijk zedelijke deugden en hulpdeugden (Hoekstra II bl. 263), indien al logisch deze onderscheiding eenige aanbeveling zou kunnen verdienen. Hen kan met recht de deugd betrekken in den drievoudigen kring van het zieleleven en dus haar in verband brengen zoowel met ons denken en gevoelen als niet ons willen, maar men mag toch niet voorbijzien, dat op het zedelijke gebied toch eigenlijk de wil — en dat wel de „strenua voluntas" — de hoofdrol vervult. Volgt men dus Aristoteles in de onderscheiding van „dianoëtische" en „ethische" deugden (zie § 2 onder 5), men mag dan wel bedenken, dat men zich beweegt op de lijn eener psychologie die niet meer onverdeeld bijval vindt, en dat misschien aan subordinatie beter dan aan coördinatie hier gedacht wordt. Wat „dianoëtische" deugd heet, kan middel zijn tot „ethische" deugd. Dat men in de middeleeuwen (zie § 4), in dezen door Atjgustiitus geleid, — wat het denkbeeld zelf ten minste betreft — van theologische deugden sprak nevens de „virtutes humanae", zal wel beschouwd en gewaardeerd moeten worden in het licht der overtuiging, dat de Christelijke zedeleer niet genoeg heeft aan de deugd der Grieken. Overigens kan men niet meenen, dat 1 Kor. 13:13 met meer recht

Sluiten