Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komende met de algemeene beginselen waarvan de wijsgeerige scholen uitgaan.

3. De waarde der deugd. Wie van de waarde der deugd spreekt, kan het oog hebben op den zegen, door beoefening van deugden in kleineren of grooteren kring gesticht, maar de bedoeling is hier niet daarop te wijzen. Iets anders wordt hier bedoeld. Door Paulsen (System der Ethik) wordt in den aanvang van het derde boek de aandacht gevestigd op den „wijze" van Spinoza en den „plichtmensch" van Kant en van den een zoowel als van den ander gesproken als „unheimliches Grespenst". Het recht dezer uitspraak ligt hieriu, dat inderdaad zoowel door Spinoza als door Kant te weinig beteekenis wordt toegekend aan de aandoeningen en driften. De mensch moet als natuur-wezen juist worden gewaardeerd, om als geestelijk wezen wèl begrepen te kunnen worden en als zinnelijk wezen in het wetenschappelijk onderzoek niet worden verwaarloosd, om als zedelijk wezen met juistheid te kunnen worden beoordeeld (zie § 9 en § 12 onder 1). Wie tegenover de macht der zinnelijke driften slechts spreekt van de rede, of enkel wijst op den plicht, kan ongetwijfeld belangrijke dingen zeggen, gelijk ook ten onzent meermalen geschiedde, maar bij ernstig nadenken kan ons niet ontgaan, dat er kracht en recht schuilt in den weerzin, waarmede velen, uit Christelijken kring, zich afwenden van hen die meenen enkel met een beroep op rede en plicht het kwade te zullen overwinnen. In ons redelijk-geestelijk wezen is nog iets anders te vinden dan wat wij onze redelijkheid plegen te noemen. Ons gemoedsleven spreekt mede in het proces van ons geestelijk leven, en daarin met name doet zich de macht der deugd gelden die, hoe gebrekkig ook, getuigt van het recht der alleen-heerschappij van het goede. Het kan der rede, in den toestand van zonde, waarin wij ons bevinden, soms gelukken ons met drogredenen te misleiden, en wij kunnen daartegen niet waken, dan voor zoover wij in ons innerlijk bewustzijn, in het geweten vertolkt, zedelijke beginselen onverzwakt handhaven, krachtens welke wij wederstand bieden aan alle boosheid. Dat te kunnen en dat te willen doen, is de macht en de roeping der deugd, die daarbij gaarne gebruik maakt

Sluiten