is toegevoegd aan je favorieten.

Goed en kwaad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Hij heeft een vriendinnetje, een jong ding van een jaar of achttien; die woont in een villa op den Zuidboulevard; ze rijdt eiken dag uit met twee paarden, en een koetsier in livrei op den bok. Ze zeggen, dat de koetsier haar vader is, maar ik weet niet of het waar is. In alle geval is ze van heel arme afkomst. Je moet maar geluk hebben in de wereld, hè?

— Wien bedoel je? Den vader of het meisje?

— Het meisje natuurlijk.

— Oh! — En de vader niet?

— Wel, die ook natuurlijk, natuurlijk. Geloof je niet, dat die het goed heeft bij zijn dochter?

— Is de moeder keukenmeid bij haar?

— Dat weet ik niet.

— Het zou jammer wezen, als het niet zoo was. Verbeeld je, dat die dood was na al die jaren van getob, en nu die rijkdom en die heerlijkheid eens niet meer meegenieten kon.

— Hou jij me voor den gek?

Hoe kom je daaraan?

— Ik dacht het.

— Waarom? Is het dan zoo mal wat ik zeg?

— God, neen, heel gewoon, maar je toon van spreken is zoo sarcastisch. Ik houd niet van sarcastische menschen.

— Ik ook niet.

— Ik houd van opréchte menschen.

— Ik ook, zegt Henk kort. Dan ineens, hartstochtelijk: Zeg, Riek, wil jij ook oprecht zijn?

— Dat ben ik, doet ze wat verwonderd.

— Oh! zegt Henk.

Dan gaan beiden zwijgend een frontloge binnen. Henk is heel ernstig; in den aanvang had hij nog gepoogd haar te beschouwen als een vrouw gelijk er zoovelen waren, maar hij heeft bij het korte gesprek bemerkt, dat dit niet gelukken zal. Hij wil haar érnstig nemen of weggaan; gewoon met haar zijn als met anderen, kan hij niet.

Riek is ook niet zoo spraakzaam meer; zijn ernstige manier van omgaan is haar, die aan luchtige menschen gewend is, wat vreemd, antipathiek om het vreemde, en