is toegevoegd aan je favorieten.

Nelly Degenstein

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nelly, spring!" „Ie bin 'n gauwdief!" zei Beertje, maar op dat oogenblik sprong Nelly, hetzij om den kinderen pleizier te doen, hetzij uit verlangen om van de schommel te komen, met zóó'n vaart er af, dat ze tegen het hooi rolde. De kinderen schaterden, Nelly deed ook maar mee en „de roó" keek alsof zij zich verbaasde, dat een volwassen mensch nog zóó kinderachtig kon zijn. „O," zei Annigje plotseling. „Veader 'ef 'ezegd, wij mochten wel taaiteren, moar wij mochten niet wild wezen, aanders wordde de koe bange." Nelly, ofschoon ze het nog zeer twijfelachtig vond, wie het bangst was, zij of de koe, vermaande nu toch ook tot stilte, zoodat ieder bedaard op de beurt het „schommel, schoppel, schop" kon uitschommelen. Intusschen zaten Stijntje en Geert hunne Zondagsrust te genieten. Stijntje genoot het nieuws van „de Oprechte Steenwijker" en Geert dat van „de Meppeler Krant". Stijntje was gewend, dat haar man óf geheel verdiept raakte in zijn lectuur óf, als hij een paar drukke dagen achter den rug had, er bij in slaap viel. Nu gebeurde noch het een noch het ander.

„Geert, lees ie niet?" vroeg ze.

„O, lees ie ook niet?" was de wedervraag. Toen, als schaamde hij zich de vraag te hebben ontweken begon hij: „Stiene, ik dochte zoo.... 'eb ie ook niet aaltied 'edocht, dat Nelly mit Jo'an 'n pear zollen worden?" „Nou, dat 'eb ie aaltied wel ezegd," zei