is toegevoegd aan je favorieten.

Noord-Hollandsche menschen en dingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te aanschouwen, hoe hij bij zijn binnentreden aan gelaat en gestalte geweld pleegde, om toch beminnelijk en wellevend te zijn. Het ging hem niet af. Het stond hem allerdwaast. Hij hield het slechts twee minuten vol. Dan gaf hij het op. Nu kwam hij voor den dag, zooals hij was. Kort, hoekig, bonkig. Wel, wel, wat een ongegeneerde collectant! Foei, komt men iemand zóó om een gunst vragen? Als gij dit laatste in Arie Lols hoorn geschreeuwd hadt, zou hij hebben teruggeschreeuwd, en er mogelijk bij op den grond hebben gestampt: „Een gunst? Van u wil ik nu niets meer hebben!" „Gunst, gunst, Van Wien komt alleen gunst?" iets dergelijks brommende, zou hij afgetrokken zijn. Hij verdeelde hen, die hij bezocht, in twee afdeelingen; die „het" hadden en die „het" niet hadden. „Het", dat is te zeggen: het aardsche slijk. Die „het" hadden, moesten natuurlijk in de beurs tasten. Die „het" niet hadden, en toch door Arie Lol werden bezocht, moesten een aanbeveling in zijn boekje schrijven. En aan deze indeeling mocht, zoomin als aan iets, dat Arie Lol nu eenmaal zoo had vastgesteld, door niemand getornd worden. Ook door de aldus ingedeelden zelf niet. Het is gebeurd, dat iemand, die, naar Arie Lols wilsbepaling, „het" niet had, hem desondanks nevens de gewenschte aanbeveling ook nog een rijksdaalder toeschoof. Arie gooide den rijksdaalder heftig naar den schenker terug, en riep: „Dat vraag ik toch niet!" Toen nu de man van den rijksdaalder,