is toegevoegd aan je favorieten.

Leerboek der plantkunde voor Nederlandsch-Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Casuarinaceeën.

Deze zeer kleine plantenfamilie waarvan de meeste soorten in Australië maar ook enkele in Ned.-Indië tehuis behooren, gelijkt wat het voorkomen betreft veel op de Dennen en sommige andere Naaktzadige boomen.

De Casuarinaceeën zijn boomen met tweeërlei soort takken, blijvende, die in de dikte groeien en afvallende, dunne, groene, draadvormige, waarbij geen diktegroei voorkomt. De bladeren zijn zeer klein, schubvormig, in kransen vergroeid tot kokertjes die de knoopen van de afvallende draadvormige takken omgeven.

De bloemen zijn éénslachtig, éénhuizig, in afzonderlijke mannelijke en vrouwelijke aarvormige bloeiwijzen. De mannelijke bloemen hebben een tweedeeiig bloemdek met één meeldraad, de vrouwelijke zijn naakt met een éénhokkig vruchtbeginsel met twee eitjes, waarvan zich echter slechts één ontwikkelt. De vruchtjes zijn plat, aan den top in een vleugel verlengd. Ze zijn vereenigd tot houtige kegeltjes die aan dennekegels herinneren maar veel kleiner zijn. Ieder vruchtje zit ingesloten tusschen twee houtige schutblaadjes die eerst nauw aaneensluiten maaibij rijpheid klepvormig uiteenwijken. Tot deze familie behoort de welbekende Strandtjemara (Casuarina equisetifolia) die op vele plaatsen in Zuid-Oost-Azië, o. a. op de koraaleilandjes in de baai van Batavia, in het wild aan het zandige zeestrand voorkomt en die ook dikwijls als sierboom wordt gekweekt.

Een andere soort is de in Oost-Java veel voorkomende Bergtjeinara (Casuarina montana). De in West-Java voorkomende, eveneens Bergtj cm ara (Tjemara goenoeng) genoemde boom is echter geen Casuat ina maar behoort tot de Naaktzadigen, de Latijnsche naam van deze Westjavaansche Tjemara goenoeng is Podocarpus cupressina.

De Fagaceeën.

De bloemen zijn éénslachtig, het bloemdek bestaat slechts uit enkele schubjes, de mannelijke bloemen zitten in katjes of aren, de vrouwelijke in weinigbloemige aartjes of in opgerichte aren. De planten zijn éénhuizig, hetzij boomen of heesters. De vrucht is een nootvrucht die omgeven wordt door vergroeide schutbladen welke soms een bekertje vormen, soms ook de vruchten geheel omhullen en in het laatste geval bij rijpheid met kleppen openspringen.

Van deze familie, waartoe hoofdzakelijk planten uit gematigde luchtstreken behooren, komen vertegenwoordigers van de twee geslachten Guercus (Eik) en Castanopsis (Kastanje) in Indië voor.

"Verscheidene "soorten van~~Eiken (Pasang) treft men hier op Java in het gebergte aan. De meeste Javaansche Eiken onderscheiden zich van de Europeesche doordat de bladeren niet veerlobbig maar gaafrandig zijn, bij enkele Javaansche Eiken vindt men echter gezaagde of getande