is toegevoegd aan uw favorieten.

De internationaalrechtelijke betrekkingen tusschen Nederland en Japan (1605-heden)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwijtschelding of uitstel aan, ook met een beroep op de voordeelen, die het bij de tariefconventie van 1866 den westerschen staten had toegestaan. Het mocht echter niet baten. Bij het op blz. 147 vermelde onderhoud van onzen minister Gericke van Herwijnen met twee leden der buitengewone zending, die in 1871 uit Japan was vertiokken, kwam ook dit punt ter sprake en de houding van den minister toonde, dat niet anders werd verwacht dan dat Japan zonder verder uitstel aan zijn verplichtingen zou voldoen 1). Het eind was, dat de rest in 1874 werd ontvangen, zooals blijkt uit de memorie van toelichting op de middelenwet voor 1876 sub m.m. Deze tweede betaling bedroeg f 979.744,58.

De Amerikaansche regeering, die Japan in den tijd van zijne opkomst in het algemeen zeer voorkomend heeft behandeld, meende in 1884 zijn aandeel in de schadeloosstelling in zijn geheel, met de gekweekte rente, te moeten teruggeven; het ontvangen geld is toen door Japan besteed voor verbetering der haven van \okohama2). In Ameiika werden en worden stemmen gehoord, die de Shimonosekischadeloosstelling, ja de geheele tuchtigingsexpeditie, ongepast noemen. Kort geleden schreef nog Prof. Abbott (blz. 25—26 van zijn boek „Japanese expansion and American „policies"), dat, wanneer eene Japansche vloot na de aanneming van de webb-act (die verbiedt, dat Japanners land in eigendom hebben in Californië) in de Potomac-riviei was verschenen en te Washington eene schadeloosstelling had geëischt, dit optreden met de Shimonoseki-geschiedenis op één lijn zou staan. Het behoeft geen betoog, dat deze vergelijking op verschillende punten mank gaat. Zoowel het feit, dat den vreemden schepen voor de binnenzee geregeld loodsen waren verstrekt, als de omstandigheid dat

1) TT. S. A. Por. rel. 1873 II blz. 729-730.

2) Abbott, Japanese expansion and American policies blz. 25.