is toegevoegd aan uw favorieten.

Neutraliteit der overheid in de Nederlandsche koloniën jegens godsdienstzaken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volgens den minister zou de strekking van de pasarcirculaire niet anders geweest zijn dan „een zoo voorzichtig mogelijke poging om den Zondag van pasardrukte vrij te houden en daardoor de Zondagsrust van pandhuis- en politiepersoneel, dat in gouvernementsdienst is, te verzekeren" x). Dat de bezwaren van Tydeman echter volledig weerlegd konden worden, daarvan geeft de repliek van den minister geen blijk. En gesteld al, dat de pasarcirculaire geen andere strekking had dan om Zondagsdrukte te weren en Zondagsrust te waarborgen, op de vraag of de uitwerking dit doel niet voorbijstreefde, of het, zooals Tydeman het formuleerde, „geen krenking van de godsdienstvrijheid van den inlander is, wanneer een inlandsch ambtenaar belet wordt een inlandsch feest bij te wonen, omdat het op Zondag valt", bleef de minister het antwoord schuldig; slechts constateerde hij, dat de circulaire voor de inlandsche ambtenaren weinig beteekenis had, en dat de GouverneurGeneraal hen waarschijnlijk op dien grond in de circulaire zelfs niet had genoemd. Den wensch, om deze zaak bij ordonnantie te regelen, zou de minister aan de Indische regeering overbrengen s).

Overigens lijkt een door Bogaardt gedane aanhaling uit het Soerabajasche Handelsblad nog zoo onpractisch niet: „Goed beschouwd gaat het werken boven het rusten. Laat nu de Gouverneur-Generaal een circulaire uitvaardigen, waarin hij de landsdienaren aanspoort om in de zes overschietende dagen der week te werken!" 8).

Het verdient ten slotte de aandacht, dat in de ontwerpordonnantie van Carpentier Alting c.s. nopens de Christeninlanders een poging wordt gedaan „den Zondag (enz.) algemeen als rustdag [voor Christenen] te doen erkennen" 4).

Handelingen 1910—1911, 2e kamer, blz. 280.

*) Handelingen 1910—1911, 2e kamer, blzz. 290, 286.

3) Handelingen 1910—1911, 2e kamer, blz. 245.

4) Mr. J. H. Carpentier Alting c.s., Vierentwintig ontwerpen over Indisch recht, 1909, blzz. 3 en 33 (III, 2).