Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die oorzaak is van de stijging van de landelijke en stedelijke grondrente en die verband houdt met de wet van de „diminishing returns", dat is van de verminderde opbrengst van het land.

Die bevolkingstoename kan er toe leiden, dat bij overigens gelijk gebleven verhouding het aandeel der arbeidersklasse in de beschikking over de noodige bestaansmiddelen afneemt en dat der bezittende klasse toeneemt. Dit behoeft niet noodzakelijkerwijs tot achteruitgang te leiden.

De bevolkings- Er is een leer van Malthus, die in zijn „Essay on Population" betoogt, dat

toename kan lei- ^ |3ev0]jtjng fje neiging heeft zich te vermeerderen buiten verhouding tot de

derd^andeelder toename der bestaansmiddelen. Hij zegt, de toename van de bevolking gaat in arbeidersklasse eenQ meetkundige reeks 1:2:4:8 enz. en die van de bestaansmiddelen slechts kingdoverSbc-' als 1 : 2 : 8, dus in een rekenkundige reeks. In de eerste periode houdt de toestaansmiddelen. name der bestaansmiddelen gelijken tred met de toename der bevolking, in de heeft° plaats in tweede niet meer. Omdat dit natuurlijk zoo niet doorgaan kan, herstelt zich het °i"e1 reeks" die evenwicht door wat hij noemt „vice" (ondeugden) en „misery' (ellende), waardèrVestaans-16 onder verschillende verschijnselen worden samengevat.

middelen in een yan (|ie voorstelling is de gebruikelijke weerlegging: zulk een resultaat is

ïSs.He?even- niet het gevolg van overbevolking; omdat bij toename der bevolking vooral Wicht wordt 0nder de arbeidende klasse juist toeneming van de welvaart te constateeren vr'alteTtó ecT- valt. Inderdaad zijn sedert het begin der 20* eeuw, vooral sedert 1850, de nomische ver- nominale loonen sterk gestegen, terwijl tengevolge van de prijsdaling der levenssteld^MALTncï) middelen sedert 1880 ook stijging van de reëele loonen plaats had. Maar dit geldt alleen tot 1908 of 1909. Daargelaten het abnormale jaar 1907 zijn sedert 1907 de prijzen der levensmiddelen (in ruimen zin genomen; niet alleen de eerste levensbehoeften) weer zeer gestegen, zonder dat de loonsstijging hiermede gelijken tred hield; dus is de toestand van de arbeidende klasse sedert eer achter- dan vooruit gegaan. Niettemin is het zeer wel mogelijk, dat een periode van grooter welvaart hiermede gepaard gaat. Wel is het waarschijnlijk dat de stijging van de prijzen der levensmiddelen eene duurzame is, want er komt over de geheele wereld een tekort aan grondstoffen. Maar daarom behoeft de welvaart der

arbeidende klasse niet te verminderen.

De laatste jaren echter terzijde gelaten, is het onjuist, uit het feit, dat vast staat, dat er van 1850—1907 een lotsverbetering der arbeiders plaats had, de conclusie te trekken dat de leer van Malthus onjuist zou zijn en stijging der bevolking geen neerdrukkenden invloed op (de stijging van) het inkomen zou hebben. Nemen wij aan, dat door de stijging der bevolking het inkomen van de arbeidende klasse achteruitgaat van 10 tot 9, dan is het mogelijk, dat die invloed zich heeft doen gevoelen, ook al is er feitelijk vooruitgang in inkomen tot 12. Als toch bij een gelijk gebleven bevolking tengevolge van den vooruitgang der techniek e. a. de welvaart bevorderende oorzaken, de inkomens van 10 op 13 zouden zijn gestegen, dan is het mogelijk, dat door de toename der bevolking tevens afname van het inkomen van 13 op 12 plaats heeft, welk inkomen, als die oorzaak niet aanwezig ware, zou zijn teruggegaan van 10 op 9. Dus is bestaanbaar dat een stijging van het bevolkingscijfer haar invloed doet gevoelen en toch daainaast stijging van welvaart te constateeren valt; dat, zooals herhaaldelijk voorkomt, er een compensatie van de drukkende werking plaats heeft, door den