Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gij ons hart om U niet te vreezen? Wij zijn geworden tot zulken, over wie Gij van ouds af niet hebt geheerscht, over wie Uw Naam niet is genoemd" (Jes. 63 : 15b, 17a, 19).

Wie leest de twijfelklachten uit de Klaagliederen van Jeremia samen, uit dat kleine boekje van vijf hoofdstukken ? De profetische zanger durft zeggen: „De Heere heeft aan de voetbank Zijner voeten niet gedacht in den dag Zijns toorns". Hij weeroept: „Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van den Heere". Hij eindigt: „Zoudt Gij ons ganschelijk verwerpen? Zoudt Gij zoozeer tegen ons verbolgen zijn?"

Wenden we ons tot het Nieuwe Testament, dan merken we twijfelingen bij Filippus, bij zijn roeping tot discipel; bij Thomas, als Jezus reeds uit 't graf is verrezen.

Zelfs Johannes de Dooper, Christus' voorlooper en heraut, die uitgeroepen had: „Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt", wordt in zijn sombere cel van den Machaerusburcht door het bange spook van den twijfel verontrust en hij stuurt Zijn discipelen tot Jezus met de vraag-boodschap: „Zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij een Ander?"

De dagelijksche omgang met den Heiland Zelf heeft den discipelenkring niet eens gevrijwaard tegen de aanvechting van den twijfel. Staande bij den verdorden vijgeboom, zegt Jezus tot hen: „Indien gij geloof hadt, en niet twijfeldet, gij zoudt niet alleen doen, hetgeen den vijgeboom is geschied ; maar indien gij ook tot dezen berg zeidet: Word opgeheven en in de zee geworpen, het zou geschieden" (Matth. 21 :21).

De jongeren weten, dat ze niet vast staan in 't geloof en daarom vragen ze den Heiland: „Vermeerder ons het geloof!" (Luk. 17 : 5). Als Hij is opgestaan uit den dood en aan de elve verschijnt, dan verwijt Hij hun hun ongeloovigheid en

Sluiten