Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niemand is goed, niets en niemand deugt. Alleen de zelfcritiek ontbreekt.

Ik denk aan bezoeken gebracht bij een ouden broeder van over de tachtig jaar, die een bepaalde plaats in 't maatschappelijke leven eertijds heeft ingenomen. In drie étappes heeft hij bij drie opeenvolgende bezoeken zijn levensgeschiedenis aan mij verteld. In dit lange relaas heeft hij heel wat menschen ten tooneele gevoerd, met wie hij op zijn lange-korte levensreis in aanraking is geweest, en onderscheidene daarvan zijn er in zijn beoordeeling lang niet malsch af gekomen. Maar op zichzelf en zijn daden heeft hij nog niet één woord van critiek laten hooren; integendeel, al wat hij gedaan heeft, is alles even edel, schoon en verheffend geweest en de menschen hebben hem op de handen gedragen.

Deze critische instelling op den medemensch en de critiek-* looze instelling op zichzelf, heeft hem alle zuiverheid van inzicht doen verliezen en hem een steigerwerk van zekerheden doen opbouwen rondom zijn wankel levenshuis. En wat merkt ge nu? Als ge aan dat steigerwerk begint te schudden, dan wordt ineens openbaar: Welke vastheid, welken steun bezit ik nu toch eigenlijk? Achter de valsche gerustheid zit verborgen een verholen twijfel. De critische levenshouding, het becritiseeren van anderen heeft moeten dienen als bliksem-afleider om den brand buiten het eigen levenshuis te houden. Maar twijfel zetelt als een koning achter het zwakke getimmerte.

Critisch aangelegde menschen hebben het te kwaad met iedereen, behalve met zichzelf. Ze sparen ook God en Christus hun critiek niet. Ze buigen zich niet gemakkelijk onder Gods Woord. Het dogma van de kerk moet het meestal ontgelden.

Sluiten