Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In den tijd van David vond dat juist bij Joab een ernstig verzet. Wat de koning voorbad, werd hem door dien veldheer rond en open ontraden; en hij werd er met bescheidenheid op gewezen, dat dat tot eene schuld zou worden, èn voor hem, èn voor Israël zelf. Maar de koning, nog door hoogmoed verblind, liet zich door dien raad niet weerhouden; en zoo werd dan zijn bevel, althans grootendeels, door Joab volbracht. Het werd David toegelaten, zijne zonde, naar zijn wensch, te volvoeren. Maar toen, zoo lezen we, toen ging het ook hem, zoo als na de zonde menigmaal het geval is. Zij had al hare bekoring verloren, zoodra maar de daad was gepleegd, en alleen een angel der bitterheid bleef er over: Davids harte (zoo wordt het in het boek van Samuël eigenaardig en treffend uitgedrukt) Davids harte sloeg hem, nadat hij het volk geteld had. En toen deed hij niet, wat zoo menigmaal met het pas ontwaakte geweten gedaan wordt: hij beproefde niet, zich te ver^isëhnldigèn of de stem van het zelfverwijt weêr te smoren: hij erkende zijne schuld, hij beleed ze oprecht, en hij smeekte God om vergeving. Ik heb (zoo sprak hij; en dat woord doet ons David weêr kennen als den man naar Gods harte) ik heb zeer gezondigd, dat ik deze zaak gedaan heb; maar nu, o Heer! neem toch de misdaad uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gehandeld.

Intusschen, bij een man als David, eischte eene zonde, die zoo openlijk gepleegd was, ook eene openlijke straf. En zoo werd dan des anderen daags de profeet Gad tot David gezonden, om die straf aan hem aan te kondigen. In den naam des Heeren werden door den .riener drie dingen aan David voorgesteld, drie plagen waaruit hij te kiezen had: drie jaren honger, of drie maanden in de hand zijner vijanden, of drie dagen pestilentie. David mocht daaruit kiezen, en dat was tot op zekere hoogte een voorrecht; maar het was toch altijd eene rampzalige keus; en het kan ons dan ook niet verwonderen, dat David er op antwoordde: mij is zeer bang. Wat van de drie hij ook uitkoos, het was altijd eene zware bezoeking, en hij wist dan ook zelf bijna niet, wat hij zeggen zou; dit alleen bad hij af: laat het toch geen oorlog wezen. En ook inderdaad (David wist het, meer dan iemand, uit zijne eigene ervaring) erger ramp dan een oorlog kan er voor een volk wel niet zijn. Zeker is een hongersnood ook verschrikkelijk, en de pestilentie kan vreeselijk woeden; maar daar is toch niets zóo akelig, zóó 'ohtzëttend, zóó afgrijselijk en zóó tegennatuurlijk, als een wederkeerige menschenmoord in het groot. Laat mij (zoo bad David) laat mij toch vallen in de hand des Heeren, want zijne

Sluiten