Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewerkt: eene zonde, die bedekt en verzwegen wordt, groeit juist daardoor in kracht, maar eene openhartig beledene zonde is juist daardoor reeds half overwonnen. En wel verre dat er in die verootmoediging iets vernederends zijn zou, was de koning David ook in al zijne heerlijkheid nooit zoo wezenlijk groot, als toen hij met gebogen hoofd en verbrijzeld hart voor. den Heer belijdenis deed van zijne zonde.

Op zich zelve reeds treft ons die verootmoediging; maar nog des te meer, als we ook bedenken.dat de koning zoo sprak, om de straf te doen neêrdalen op zijn eigen hoofd. „Maar deze schapen, wat hebben die gedaan?" dat wil in dien samenhang ook nog zeggen: laat op mij alleen alles neerkomen, maar laat hen toch vrij. Ziet, het was anders in het Oosten de regel, dat het volk er was om den vorst, en niet andersom: dat des konings belang als de hoofdzaak beschouwd werd, ook ten koste van het welzijn zijner onderdanen: ja zelfs, dat hun goed en bloed niet geteld werd, als maar aan des konings neigingen werd voldaan. Trouwens, ook in later tijd en in dit ons werelddeel is het nog niet vreemd, dat één enkel vorst gansche volkeren aan zijne eigene eerzucht ten offer brengt; en we mogen het wel dankbaar opmerken als een voorrecht dat ons vaderland al sinds eeuwen geniet, dat ons vorstenhuis juist integendeel alles overheeft voor het volk. Maar hetgeen ook thans nog niet algemeen is, en ook thans nog een koning versiert, dat had reeds de koning David in eene hooge mate: hartelijke liefde voor zijn volk, en"oprechte deelneming in hun welzijn. Neen! op hen mag niet neerkomen 't geen hij zelf heeft misdreven: met den meesten aandrang en ernst bidt hij alle leed van hen af: hij beschouwt ze, niet als dienaars en slaven, maar als schapen die hij heeft te weiden: hun belang is zijn eigen, en hun leed voelt hij zelf: ja, hij acht voor zich zeiven op niets, indien zij maar niet lijden. W-elk een treffend voorbeeld voor dezulken die ook anderen onder zich hebben, en ook verder in het algemeen voor een ieder, met betrekking tot zijns naasten lief en leed! Waar de koude onverschilligheid om eens anders smart in 't geheel niet denkt; waar de harde zelfzucht redeneert: wat gaat mij dat aan, indien ik het maar goed heb; daar heeft ware godsvrucht altijd liefde tot haar onbedriegelijk kenmerk. En wanneer het hart met die liefde vervuld is, dan doet ook de mond en de hand wat maar mogelijk is; öok zelfs waar men metterdaad niet kan helpen, gelijk hier koning David, daar blijft dan toch altijd het ernstig en dringend gebed; en juist dat gebed hoort de Allerhoogste het eerst en het liefste.

Met den meesten aandrang bad David voor Israël, zelfs zóó

Sluiten