Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en bij ieder lichaam dat daar roerloos voor hem nedervalt, en bij ieder doodbericht dat hij hoort, is het of eene stemme Gods hem luide toeroept: voorwaar! ook de sterkste is ijdelheid! wat is dan de mensch, dat gij vleesch tot uw arm stelt en op menschenkracht bouwen wilt! laat de Heer uwe sterkte zijn, en steun nu voortaan op Hem alleen! — Ja! (zoo zeggen we van die straf, met het oog op den koning David) ja! de Heer is rechtvaardig, en elk een zijner oordeelen is recht.

Eenigszins is die opmerking reeds een antwoord op hetgeen er hier tegen Gods rechtvaardigheid zou te zeggen zijn. Maar toch, ook al zal die gerechtigheid wel door niemand betwijfeld worden met het oog op den koning David, de bedenking kan lichtelijk oprijden: maar behalve David werd toch nu het volk ook gestraft, en die schapen, wat hadden die gedaan? Blijkbaar heeft ook David met zijne vraag die bedenking bedoeld; en al hield hij ook vast aan Gods rechtvaardigheid, hij kon tóch dat bezwaar niet terughouden. — Ook bij ons, M. H.! kan dit wel zoo 'zijn: ook bij ons kan die vraag wel eens opkomen: en dan niet slechts bij hét lezen van dit tekstverhaal, maar ook bij menige andere bezoeking, waar de SchüÜfci de geschiedenis of de ervaring van spreekt. Zonder twijfel, daar zijn algemeene rampen genoeg, waarbij zulk eene vraag niet meer noodig is: als D. v. het menschengeslacht in den zondvloed omkomt, of als Sodom en Gomorra door vuur van den hemel worden omgekeerd, of als Israël in den tijd der richteren vaak verdrukt wordt, of als later het volk overheerscht wordt en in ballingschap weggevoerd, of als in den tijd der apostelen de verwoesting over stad en tempel komt, en fcij zulke gevallen in het algemeen, ook in latere tijden, dan behoeven we niet te vragen: we begrijpen dan zeiven, dat het slechts eene straf is die duizendmaal was verdiend. Maar als b. v. een Jozef mishandeld wordt en als slaaf verkocht, of als in den tijd van Mozès zooveel kinderkens onmeêdoogend worden omgebracht, of als lier door David groote rouw komt bij het gansche volk Van Israël; als in late*Tijd nog zoo menigmaal voor de dwaasheden van de vorsten de volkeren boeten, als in kleiner kring zooveel kinderen door hunne ouders ongelukkig worden, en voorte in het algemeen als op allerlei wijze de onschuldigen telkens met de schuldigen moeten lijden, ja, dan mogen en dan moeten we aan het Godsbestuur niet vertwijfelen; maar de vraag kan dan toch wel opkomen, ook al werdt zij, gehjk hier door David, slechts biddend geuit: maar deze schapen, wat hebben die gedaan? En wanneer 'zij zoo gedaan wordt, in eene biddende en geloovige stemming, dan mogen we naar een antwoord ook Wel

Sluiten