Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hunne maaltijden deelnam, toch ging hij het liefst met de tollenaars om; het was inderdaad, gelijk de farizeën en schriftgeleerden van hem zeiden: deze ontvangt de zondaars, en eet met hen. Geen waarachtiger woord werd er ooit over Jezus gesproken; beter uitdrukking kon wel niet gebruikt worden over zijn verkeer met het volk.

Dat getuigenis op zich zelf vindt dus ook bij ons de volkomenste instemming; maar niet alzoo, 't geen de farizeën en schriftgeleerden daar bijvoegden: ze murmureerden daarover, zegt de tekst; en als we daaraan denken, dan moet de instemming overgaan in de meest volkomene tegenstelling. Ook al nemen we hun getuigenis over, de beschouwing en de indruk moet juist andersom zijn: diezelfde waarheid, diezelfde Heer , datzelfde evangelie, ze kunnen en ze moeten ons zijn, niet tot verharding maar tot zaligheid, niet ten val maar tot opstanding, niet eene reuke des doods ten doode maar eene reuke des levens ten leven. Moge het zoo bij ons zijn, als we thans gaan nadenken over Jezus omgang met tollenaars en zondaars. Laat mij daartoe onderscheidenlijk aan u voorstellen, wat die handelwijze uitwerkte bij de farizeën en schriftgeleerden, en wat juist integendeel de uitwerking zijn moet bij ons. Zij bracht de farizeën en schriftgeleerden, volgens onzen tekst:

tot ergernis aan zijne werkzaamheid,

tot ongeloof aan zijne zending,

tot lastering van zijne reinheid,

en tot minachting voor zijn persoon. Maar van dienzelfden omgang zeggen wij dan telkens:

dat was juist zijne roeping,

dat dringt juist tot geloof,

dat getuigt juist tegen de zonde,

en dat stemt juist tot zijn lof.

I. Jezus omgang met tollenaars en zondaars bracht de farizeën en schriftgeleerden, volgens onzen tekst, tot ergernis aan zijne werkzaamheid: ze murmureerden daarover; en al wordt ook niet uitdrukkelijk vermeld, wat ze dan over die handelwijze tot elkander zeiden, in dat ééne woord: murmureeren, ligt die ergernis toch blijkbaar genoeg. Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen. Neen! dat deden zij niet, zij, oversten van het volk, zij, leeraars der wet! Als ze aaneen tollenaar dachten, dan was het alleen, om van uit de hoogte op hem neêr te zien; als ze van een tollenaar spraken, dan was het alleen, om met diepen afschuw te zeggen: ik dank u, Heer! dat ik niet ben gelijk deze! Maar zich met die menschen zoo te bemoeien, ze vriendelijk te ontvangen en ook zelf te bezoe-

Sluiten