Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derhalve zulk een gemeente ook in haar gezamenlijke leden genomen, in haar belijdenis een objectieve een heid bezat, die verre de meesten, en in de Schrift een objectief gezag, dat allen beheerschte, kon aan zulk een gemeente dus stem en invloed gegund worden, zonder vreeze voor het gevaar, dat ooit de kerk van Christus in haar tegendeel zou verkeerd worden.

Maar nog eens, wat zou daaruit te argumenteeren zijn voor onzen toestand? Wat pleidooi daaruit zijn af te leiden voor een gemeenterecht, gelijk artikel 23 dit organiseert ? Waar is nü die eenheid, waar nü die objektiviteit, die waarborg geeft tegen overheersching van menschelijke willekeur? Natuurlijk die moest gevonden worden in het recht van belijdenis onzer lidmaten; maar wien is het nog niet droevig klaar geworden, dat de waarde onzer aanneming tot lidmaten nooit zóó laag kan gesteld worden, of men stelt ze nog altijd te hoog. En nu, waar geen enkel beding, welk dan ook, het stemrecht beperkt, daar is het immers niet meer de stemming van een gemeente van Christus, maar van een bonte menigte, die ter kwader uur de deur der kerk is binnengeloopen, toen geen dorpelwachter haar meer bewaakte. Eeeds op zich zelf zou het christelijk gemeentekarakter der kerk dus in de waagschaal zijn gesteld, ook al wisten we niets van de antichristelijke geesten, die in de zich noemende gemeente zich hebben geopenbaard. Maar nu, nu elk het weet, hoe het grooter deel onzer gemeente een geestelooze halfslachtigheid huldigt, die we het best als de „Nuts"-godsdienst karakteriseeren, en van de kleinere helft die dan rest, een zeer aanzienlijk deel een richting volgt, voor welke loochening der openbaring beginsel is, — nu wordt het prijsgeven der beslissing van wat waarheid in Jezus' kerk zal zijn, aan zulk een menigte, niet meer een hachelijk waagstuk, maar een zondig prijsgeven van de christelijke waarheid aan de vernielende kritiek van dat ongeheiligd leven, waartegen die waarheid Gods juist in beginsel zich kant.

Sluiten