Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zondigen we tegen den bijbel-zelf, door de bijbelschrijvers te laten optreden in een rol, die ze niet konden en niet wilden vervullen. Ze waren profeten en leeraren — geen notarissen, die van bepaalde feiten gewaarborgde acten opmaakten.

* * *

III. Ten derde zijn er bezwaren van natuurkundigen aard. Ook hier geef ik weer een enkel voorbeeld. De oude volken met hunne gebrekkige middelen tot onderzoek konden zich slechts een zeer onvolkomen voorstelling maken, hoe eigenlijk de wereld in elkaar zat. Als ze zoover mogelijk reisden, stuitten ze eindelijk en altijd weer op de zee, de zee, die hun eindeloos toescheen. De aarde kwam hun voor als een groote, platte schijf, die uit de zee oprees. De hemel welfde zich daarover heen als een koepel. En uit dien hemel daalden af en toe ook wateren af in den vorm van regen. Het was duidelijk, dat er daar boven die koepel dus ook wateren moesten zijn. En ■ *19

daar er ook wateren oprezen uit bronnen en rivieren, lag het voor de hand om te denken, dat er, daar in de diepte, ook wateren onder de aarde waren. En hoe kwam het dan, dat de aarde niet geheel en al in het water wegzakte? Dat kon iedereen aan het strand waarnemen: Dat kwam, omdat de aarde van onderen door rotsen als pilaren ondersteund werd.

Deze voorstelling nu vinden we telkens weer in het O.T. terug. Zoo bijv. in Psalm 104: „Johova heeft de aarde op pilaren gegrond, zoodat ze nimmermeer en in eeuwigheid niet wankelt". En we weten, dat ook in de Tien Geboden gesproken wordt van „datgene, wat boven in den hemel is, van datgene, wat onder op de aarde is, en van datgene wat in de wateren onder de aarde is."

Nu geloof ik, Mevrouw, dat we wel goed doen met onzen kinderen te vertellen, dat de Ouden zich op die manier de wereld voorstellen, maar ik geloof niet, dat we goed doen hun voor te houden, dat dit wereldbeeld ook het juiste zou zijn. Zoo gaat het ook met het

verhaal uit het boek Jozua, waarin sprake is van ■ ■

Sluiten