Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij vindt het ook niet erg, dat Jozua vijf koningen van de Kanaanieten laat ophangen aan „een hout" en daarna hun doode lichamen in de spelonk laat werpen, waarin ze zich eerst verborgen hadden, wanneer Jozua maar de bewijsstukken kan overleggen, dat deze vijf koningen gewoon waren, om eiken dag voor hun ontbijt vijf kindertjes te laten braden, die ze dan met elkander opaten, maar als hun niet iets dergelijks kan ten laste gelegd worden, dan vinden ze Jozua een „gemeene wreedaard" en als de juffrouw van de zondagsschool hun vertelt, dat hij toch een vroom man was, dan is het eenig resultaat, dat ze voor een „vroom man" reeds vroeg hun crediet verliezen, of dat ze tot de slotsom komen, dat vroomheid heel wel kan samengaan met gruwzame wreedheid. Wanneer de juffrouw er echter bij vertelt, dat dit hem „bevolen was door den Heere" dan wordt de zaak nóg erger. Want dan verliezen ze in de diepste diepte reeds vroeg hun crediet niet alleen voor den godsdienst, maar ook voor God. En indien ze heimelijk niet hun eerbied voor God verliezen, zoo wordt God toch voor hun een tweeslachtig

■ m:

wezen, van wien de juffrouw eenerzijds niet moede wordt te vertellen, dat Hij liefde is, — weshalve zij Hem dan ook de „Lieve Heer" noemt — terwijl ze aan den anderen kant toch de grootste en vreeselijkste gruwelen van Hem vertelt.

Want niet alle kinderen zijn zoo schrander, voor deze tegenstrijdigheid een oplossing te kunnen vinden, gelijk een klein meisje vond, dat op een engelsche zondagsschool ging. Ze had wel gehoord van bekeeringen, waardoor menschen er toe kwamen een beter leven te gaan leiden. Toen nu één van de grootere jongens vroeg, hoe God er toe gekomen was om de vijf zonen van Saul te laten ophangen en de juffrouw zelf wat bedremmeld keek, stak zij het vingertje op en zeide: „Ik weet het, juffrouw! Dat heeft de lieve Heer gedaan voordat Hij bekeerd was en een christen was geworden!"

Het kind heeft in zekeren zin gelijk. Alleen zou de juffrouw hierbij de correctie moeten aanbrengen, dat niet God-zelf in dien tusschentijd „bekeerd", veranderd is, maar dat de voorstellingen, veranderd zijn, welke de men-

■ m

Sluiten