Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te zien uit hoofde van toestand of kleur, is schennis van de hoofdwet des Christendoms.

De negerslaaf is een mensch, ofschoon hij niet als zoodanig behandeld wordt. De slavenhouder beschouwt den slaaf als zijn eigendom. Het denkbeeld zelf van slaaf sluit in zich, dat hij aan een' ander toebehoort, dat hij verpligt is voor een' ander te leven en te werken, dat hij eens anders werktuig is en eens anders wil tot zijne wet moet maken, hoezeer die ook aandruisent tegen zijnen eigenen wil. Een ander is zijn eigenaar en heeft dus aanspraak op de vruchten van zijnen arbeid, het regt om hem, zonder zijne toestemming of goedkeuring, zijne taak op te leggen en den aard en duur van zijn werk te bepalen, het regt om hem elders als een verhuurd paard in dienst te stellen, of hem binnen willekeurige grenzen te beperken en hem tot het opgelegde werk door slagen te dwingen, en zulks zonder wederzijdsche overeenkomst, tegen zijnen wil, en met ontkenning van het regt om over zich zeiven te beschikken en van zijne krachten gebruik te maken ten eigen nutte. Het wetboek van Louisiana zegt: «Een slaaf is in de magt van den meester aan wien hij toebehoort. De eigenaar kan hem verkoopen, over zijne persoon, zijne krachten, zijne bekwaamheden beschikken, de slaaf kan niets doen, niets bezitten, niets verkrijgen of het behoort zijnen meester." .«Slaven moeten geacht, aangemerkt, gerekend worden," zegt de wet van Zuid-Carolina, «als de goederen te zijn van hunne meesters; — bezittingen, die deze tot elk doel en einde gebruiken kunnen." — Is die toestand in onze Westindische bezittingen anders? — Kan één mensch met regt tot den toestand van slaaf gebragt worden, zonder iets tegen ons of de maatschappij te hebben misdreven, dan is er geen één menschelijk we-

Sluiten