Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 1630 vestigde zich kapitein marchal met een zestigtal Engelschen aan de oevers der Parakreek, die zich in de Suriname ontlast, waar zij tabak verbouwden. Tien jaren later ondernamen de Franschen, hier eene volkplanting te stichten, ter plaatse waar nu Paramaribo ligt, in welks nabijheid de Portugezen vroeger eene kleine verschansing opgerigt hadden', waaraan de Zeeuwen later den naam van fort Zeelandia gaven. — De verschillende natiën, die hier proeven van kolonisatie ondernamen, hadden hier geen vast verblijf, daar zij elkander vijandig waren, beurtelings verdreven en ook bij herhaling door de inboorlingen verontrust werden. In 1644 vestigden zich ook eenige uit Brazilië gevlugte Joden aan de boorden der Suriname-rivier. In het midden der 17de eeuw stichtte lord parham er weder eene Engelsche kolonie en legde in 1652 de grondvesten van de naar hem genoemde stad Paramaribo, en bij giftbrief van karel II van 2 Jan. 1662, werd de kolonie Suriname in vollen eigendom aan lord parham afgestaan. In 1667 werd de kolonie echter door de Zeeuwen onder kapitein abraham krijnssen op de Engelschen bemagtigd, die er 26 Febr. van dat jaar bezit van nam, en het fortje, Zeelandia noemde, en bij de vrede van Breda (31 Julij 1667) verbleven Suriname, als ook de slaven aan ons. Zoo kwamen wij in het bezit van slaven, daar vroeger en later aangevoerd door blanken van verschillende Europesche natiën, die hen in Afrika geroofd of van roovers aangekocht hadden, en waarop de Instructie van de H. M. Heeren Staten -Generaal van 23 Augustus 1626 betrekking heeft, of wel meer bepaaldelijk op de slaven in Brazilië toen aan de Republiek der Vereenigde Nederlanden behoorende.

Het regt van eigendom en bezit van den grond en van de slaven in de kolonie Suriname is slechts een

Sluiten