Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij willen over te hooge of te lage raming van baten en lasten geene aanmerkingen maken, maar aannemen dat deze becijfering goed en vrij juist is, dan keuren wij evenwel de middelen om de qnteigenings-gelden te vinden en de maatregelen om daarvan teruggave te erlangen, hoogst onbillijk en onregtvaardig. — Men doet alles in het belang des meesters, en belast de geëmancipeerden met een zware schuldenlast, die niet hunne schulden zijn. Voor het onteigenen der gronden, gebouwen, machines en werktuigen, moet de Staat en niet de slaaf betalen, en deze moeten niet aan de onteigening der slaven gekoppeld worden; de Staat heeft de gronden uitgegeven en aan particulieren afgestaan, wil zij die terug hebben, dan moet zij die ook zelf betalen. — Ook voor de slaven verlangden wij eene lagere schatting. Hoe grootelijks toch verminderd dat getal door boven opgegeven redenen, immers dat getal was in 1644: 43,711; in 1846: 42,246; in 1848: 40,864; in 1850: 40,311; in 1852: 39,157; zijnde een verlies van 1^ pCt. per jaar, en over het geheele tijdvak van 1844 tot 1854 van 11| pCt.

Gehéél anders is de zienswijze in dezen van anderen, die beweren, dat de slaaf als mensch regt heeft en aanspraak maken mag, op zijne onmiddelijke en onvoorwaardelijke in vrijheid stelling. — Ook dat gevoelen willen wij, om de goede zaaks wille, niet voorstaan, en een middenweg bewandelen, door van de wederzijdsche belanghebbenden eenige opofferingen te vragen.

Ons oordeel over het eerste rapport der StaatsCommissie is niet gunstig, met art. 2 van dat rapport, kunnen wij ons volstrekt niet vereenigen, —en wij zeggen met den heer van lijnden (zie zijne redevoering in de Tweede Kamer op 29 Nov. 1855 gehouden), « dat er essentiëel weinig verbetering in het lot der slaven

Sluiten