Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

Vooreerst zullen wij ons dan bepalen bij het taalfeest te Jeruzalem.

Het Joodsche Pinksterfeest was aangebroken en de feestjubel ruischte heinde en verre. Bovenal weergalmde langs de tempelgewelven het gejuich der feestgenooten. Maar hooger feest, maar grootscher jubel zou welhaast aanbreken en wel daar, waar men dien 't minst verwachtte.

In één der tempelzalen waren 's Heeren Apostelen en vele andere vrienden en vriendinnen van Hem eendragtig bijeen vergaderd, om den geest te verbeiden, die hun was toegezegd. En heerlijk werd vervuld, wat men zoo vurig hoopte! Want, ziet! terwijl 'sHeeren volgelingen biddend bijeen waren, geschiedde er haastig uit den hemel een geluid, als dat eens geweldig gedrevenen winds, zoodat de zaal, waarin ze gezeten waren, bewogen werd. Dat verschijnsel moest wel aller aandacht wekken en oog en hart naar boven rigten. Maar sterker werden ze geboeid, toen dit vreemd verschijnsel door nog ongewoner werd vervangen. Zij zagen boven elk hunner verdeelde tongen als van vuur, welke op hunne hoofden nederdaalden. Dat alles maakte op hen een onweerstaanbaren indruk. Zij gevoelden 't krachtig en levendig: wat hier plaats had, was werking van hoogere, van goddelijkemagt. Gelijk eens het Oude Verbond op Sinaï was ingewijd, waarvan op het Pinksterfeest gedachtenis werd gevierd, zóó werd nu het Nieuwe geheiligd; maar in plaats van bliksemen had men nu vuurtongen, in plaats van donderslagen een windgedruisch, een adem Gods. Een licht ging op in hunne zielen, en ze twijfelden er niet

Sluiten