Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebarenspel. «De loehoorders," zegt andersen , «kunnen zich van lagchen niet onthouden," en waar 't lagchen heerscht, daar is de aandacht en ernst verloren. Hoe minder ze verstaan van 't geen wordt voorgedragen en hoe dwazer de voórdragt is, des te luidruchtiger is de toejuiching. Zoo werden op dit feest (in 1818) een Ethiopiër en twee Chinezen het sterkst toegejuicht. Zij lieten somwijlen de vreemdsoortige geluiden hooren en verwekten daarom 't grootste gelach. Andersen zag ook, gedurende de voórdragt van een gedicht in de Duitsche taal, twee Italiaansche Capucijner monniken over deze, hun zonderling voorkomende taal, zoo lagchen, dat ze bijna omgevallen waren. De indruk van 't gansche feest is derhalve wel eens die van een belagchelijke voorstelling; men verstaat bijna niets van 't geen wordt gesproken en schertst daarom met 'tgeen als ijdel geklap wordt vernomen.

Zoo viert Rome hare taaifeesten; zoo worden ze door het volk ontvangen; zoo wordt, wat strekken moest, om te heiligen en te zaligen, een onzinnig spel, ten deele, om den lachlust des ijdelen volks op te wekken. Jammer, voorwaar, dat eene van Gods beste gaven zoo schandelijk wordt verbeuzeld: verbeuzeld niet alleen, maar ook wordt aangewend, om de zonde voedsel te geven en den wille Gods tegenstand te bieden! Maar, Gode zij dank! aan zoo slecht, aan zoo zondig een misbruik staan niet allen schuldig in Christus Kerk. Daar zijn geweest, we zagen het reeds, en ze zijn er nog, die, in de kracht des heiligen geestes, moedig voortgaan , om de gave der talen tot de heerlijkste doeleinden aan te wenden. Opdat we ons daarvan mogen overtuigen, zullen we in de derde plaats een blik slaan op het feest

Sluiten