Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i isTi_.EirD3:2src3-.

Daar is een spreekwoord, dat zegt: „de natuur gaat boven de leer." Dat spreekwoord heeft velerlei uitlegging en toepassing. Het is onder andere verblijdend waar met betrekking tot sommigen, die zeggen, dat zij niet in God gelooven; want terwijl zij zoo spreken, spreekt hun geweten, hoe-w el fluisterend, eene geheel andere taal. Maar dat spreekwoord is helaas! ook, in een en omgekeerden zin, bedroevend waar met betrekking tot velen, die belijden, dat zij God kennen; want terwijl zij dat zeggen, verloochenen zij hem met de werken, alzoo zij gruwelijk zijn, en ongehoorzaam, en tot alle goed werk ondeugende.

Het is onmogelijk, dat zulke menschen gelukkig zouden zijn, hoewel zij, God zij geloofd! nog wel gelukkig kunnen worden. Een geloof, dat de werken niet heeft, is bij zichzelven dood; en een geweten, dat niet in overeenstamming is met hetgeen men zegt, en doet, kan geen rust genieten. Ons doen en laten, spreken en denken moet in harmonie zijn met ons geloof en geweten, om rust en vrede te kunnen smaken; en naarmate ons geloof wast, en ons geweten meer duidelijk spreekt, moeten onze gedachten, woorden en daden meer rein, wijs en nuttig worden, om die rust en vrede te kunnen bewaren , en te zien toenemen. De mensch moet tot de diepste diepte van zijn wezen komen, om zalig te worden, en uit die diepte leven, om het meer en meer te worden. De hoogste zaligheid is in God, en de diepste diepte van 's menschen wezen heeft zijnen grond in God, staat in betrekking tot God, dorst naar God, en kan alleen in harmonische gemeenschap met God volkomen gelukkig zijn, maar dan ook, door harmonische ontwikkeling van zijn wezen naar het wezen Gods, ondenkbare gelukzaligheid bereiken.

Gelukkig de mensch, die, door de ervaringen des levens geleerd, zijne oogen van het uitwendige en den schijn op zijn innerlijk wezen vestigt! Wie dat niet doet, zal, al is hij overigens ook nog zoo geleerd, in zijne oppervlakkigheid en onkunde aangaande zonde, en deugd, en de hoogste roeping van den mensch, voort-

Sluiten