Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedaante meer dan van andere menschenkinderen, (volken), die zich in ballingschap bevinden zullen:

15. Zoo zullen zij toch vele Heidenen (met hunne kennis en deugd 53: 11) besprengen, ja koningen zullen, over hunne kennis en deugd verbaasd staande, den mond voor hen gesloten houden.

Dien het niet verkondigd was, die zullen het zien, en welke het niet verstonden, die zullen het begrijpen!

Niettegenstaande dez.e heerlijke toekomst mochten de vromen ten aanzien van het verledene wel uitroepen:

53: 1: Wie heeft onze prediking geloofd? en aan wien is de arm des Heeren geopenbaard?

En dan vinden wij:

2. de redenen opgegeven, die de Heidenen meenden, dat tot hunne verontschuldiging konden dienen. Hun ongeloof was een gevolg geweest van den voorgaanden verachtelijken staat van Israƫl als een geheel. Want dat volk was als een rijsje, een eenzaam en zwak spruitje, voor hun aangezicht opgeschoten, en als uit een wortel, die in een dorre aarde geplant was. Ware het een machtig volk geweest, en met aardsche grootheid gezegend, dan zouden wij wel geloofd hebben; maar het had geene gedaante of heerlijkheid: als wij het aanzagen, zoo was er geene gestalte, dat wij zouden begeerd hebben, om ons door hen te laten leiden en hen te volgen.

3. Het was veracht, en gerekend het onwaardigste onder de volken te wezen, gedurig onder leed en smart gebukt gaande, door krenkingen des zwaards geplaagd, en een iegelijk keerde zijn aangezicht van hetzelve af, en verachtte het, in plaats van het te achten voor hetgeen onder al dat uitwendige verborgen lag.

Daarom hebben wij hen vroeger niet geacht, maar nu zien wij met andere oogen en erkennen gaarne:

4. Waarlijk het heeft de krenkingen en smarten ,

Sluiten