Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

offers, en zelfs in de plaats, waar het bloed gesprengd worden moest, — overeenstemmende met den stand en de omstandigheden dergenen, die gezondigd hadden.

Waren zij de uitdrukking van droefheid over zonde en schuld van een gewoon lid der maatschappij, dan moest een wijfje van de schapen of geiten gebracht worden; maar was het een overste dan moest het een mannetje wezen, en in beide gevallen moest het bloed gesprengd worden aan de hoornen van het brandaltaar. Als de gansche gemeente zoodanig offer bracht, dan moest het een var zijn, en zijn bloed moest voor den voorhang van het heilige gesprengd worden; en als de Hoogepriester gezondigd had, moest eveneens een var geofferd, maar het bloed èn voor het voorhangsel van het Heilige der heiligen èn op het reukaltaar gesprengd worden, en in ieder der genoemde gevallen het overige bloed aan den voet van het brandaltaar uitgestort, en, na deze offers, weder een brandoffer geofferd worden, waarna men dan het dankoffer van hernieuwde gemeenschap met God genieten mocht.

Gelijk het was met de offeranden in den loop van het jaar, zoo was het ook aan het einde des jaars, op den grooten verzoendag, — eerst werden de zondoffers, daarna de brandoffers, en vervolgens de dankoffers gebracht.

Eerst kwam het zondoffer van den Hoogepriester, waarvan het bloed bij die gelegenheid in het Heilige der heiligen gedragen werd, en staande ten Westen van de arke des verbonds, sprengde hij in eene Oostelijke richting op en voor het verzoendeksel, om voor zich en zijn huis, dat is, voor het gansche huis van Levi, de priesters en levieten, verzoening te doen. Daarna werd het zondoffer des volks geslacht, en ten tweeden male in het Heilige der heiligen gaande, sprengde hij van deszelfs bloed eveneens op en voor het verzoendeksel,

Sluiten