Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ex. 20: 1—17, de vereering van den Koning Israëls voorloopig vastgesteld vs. 24—26 , en werden tevens eenige voorloopige strafbepalingen gegeven 21: 1—23: 33, en toen Israël opnieuw gehoorzaamheid hadbeloofd, werd het verbond bevestigd 24: 1—8 door middel van dieren, die gedood en geheel en al door vuur verteerd werden, tot een teeken, dat de bondelingen van weerszijden, tot den dood en de verbranding toe. aan het verbond getrouw wilden zijn; en het verbond aldus bevestigd zijnde, werd het verbondsfeest gevierd: 24: 9—11, terwijl zij voorts dagelijks, door de morgen-en avondbrandoffers, aan hun verbond herinnerd werden.

Abraham kon echter voor den oprechten wandel zijner kinderen niet instaan, en evenmin kon het volk bij den Sinaï voor hunne nakomelingen in de toekomst zekerheid van gehoorzaamheid geven. De vreeze Gods en de gehoorzaamheid des geloofs is geen erfgoed. De eenheid van afstamming, het teeken in het vleesch, het leven onder eene zelfde wet en onder eenzelfden vorm van Godsdienst etc. mocht het volk als volk kunnen verbinden en in stand houden; maar de aardschgezindheid van den mensch deed ook hen den eisch des verbonds: „Wandel voor mijn aangezicht, en wees oprecht;" het wezen der besnijdenis: de besnijdenis des harten, in den geest; den inhoud der wet: God lief te hebben boven alles, en den naaste als zichzelven, en het doel van hunnen godsdienst: priesters des Heeren te zijn ten behoeve van andere volken , voorbijzien. Slechts enkelen waren er, die zich van dit een en ander eenig begrip konden vormen, om dan als profeten op te treden, en zelfs van een nieuw verbond te spreken, dat wij vooral bij Jer. 31: 31 duidelijk voorgesteld vinden, als hij zegt: „Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israël, en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; niet naar het verbond,

Sluiten