Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geenszins. De zaak is deze: Toen God den mensch schiep, heeft Hij hem uit zijn eeuwig levend wezen den geest ingeblazen, en alzoo werd de mensch een eeuwig levend, maar tevens zelfstandig, vrij en met het specifieke Gods leven bezield wezen; een wezen, dat vanwege zijne vrijheid wel het specifiek goddelijke, maar niet het eeuwige, zelfstandige en vrije verhezen kon. De Heere God had alle dingen geschapen, om te volmaken, en den mensch. om hem in het redelijke, zedelijke en 'godsdienstige te volmaken, en, door steeds hooger verstand, meer zelfbewuste deugd, en inniger gemeenschap met Hem, tot steeds hoogere gelukzaligheid te leiden. Ten dien einde was het noodzakehjk dat de mensch onderwezen, vermaand en gewaarschuwd, maar ook, dat de vrije keuze en werkzaamheid aan hem gelaten zou worden; en God heeft hem onderwezen door hem den hof te doen bewaren, hem aan Zijne schepselen namen te doen geven naar hunnen aard, en hem eindelijk ook tegen ongehoorzaamheid vermaand en gewaarschuwd door het perbod, waaraan eene bedreiging verbonden was: „Van alle boomen dezes hofs, zult gij vrijelijk eten; maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten: want ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven." Dit verbod was een nieuwe vorm om hem gehoorzaamheid te leeren, en in dit verbod ontving hij tevens eene nieuwe en zeer belangrijke les. Immers, wat leven was wist hij., want hij leefde, en alles om hem heen was leven en beweging. Maar sterven ? "Wat was sterven? Wat beteekende deze bedreiging? Wij willen ons met de natuurkunde thans niet inlaten; maar, kon Adam ook al geene definitie van de oorzaak van leven en doed geven, hij moet toen toch reeds, niet alleen met het leven, maar ook met den dood, althans in zijnen akeligen vorm, en in tegenstelling van het leven, bekend

Sluiten