Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■want de Heer is gekomen, om ons te verlossen van onze boosheden. Hij moet naar binnen zien: want uit het hart zijn de uitgangen des levens. Hij moet bij aan en voortgang met zijne zonden en verdorvenheden naar Christus heen, dien hij door de zonde, en het toegeven aan de zonde, in beginsel kruisigde, — om vergeving, leiding en heiliging van hem af te snieeken, en hem door geloof te omhelzen en gehoorzaam te zijn: want daar is onder den hemel geenen anderen naam gegeven, waardoor wij moeten zalig worden. De mensch moet geheel en al aan zich zeiven sterven, door zich geheel en al aan den Christus te geven. Hij moet in Christus zijn, gelijk Christus in God is; en gelijk God in Christus is, zoo moet Christus in hem zijn, en alleen Christus in ons kan de hoop der heerlijkheid wezen.

God zij geloofd, die ons met onze zonden en gebreken tot Christus heeft geleid, en die ons, na in de strikken van menschelijke stelsels verward te zijn geraakt, zoo genadiglijk, hoewel onder zwaren strijd, er weder uit verlost heeft; die ons, hoewel onder veel leed en smaad en verguizing dagelijks meer leert, om Hem in geest en in waarheid te aanbidden; die ons er opnieuw toegebracht heeft, om in zijne strenge eisch van hartgrondige verootmoediging en belijdenis van zonde, en, waar het kan, herstel van bedreven kwaad, en bij dat alles in zijne vergevende liefde te gelooven, zonder Hem haat en onrechtvaardigheid toe te schrijven, alsof Hij verzoend moest worden, en om zich te verzoenen Zijnen geliefden Zoon in onze plaats had gestraft!

Evenals de leer der kinderbesprenging en der predestinatie ons vroeger was ingeprent, maar nooit voldoening aan hart en verstand kon geven, zoo was het ook met de leer van het plaatsvervangend straffen; maar Hij heeft ons genadiglijk, door zelfstandig onder-

Sluiten