Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ling, in dun gewaad, met loshangende haren, hare redding vindend op een rots, waarop een steenen kruis is opgericht. Met al hare macht klemt zij zich aan dat kruis vast. Woest en schuimend bruisen en spatten de golven om haar henen. Maar geen nood. Zij is behouden.

Is dit niet uw beeld, o mijn Christen? In welke zee laagt gij verzonken! Welke golven en baren gingen er over u henen! Hoe waart gij schier voor goed in de bodemlooze diepte verzwolgen! Maar, God zij gedankt, ter rechte ure kreegt gij het kruis des Heeren Jezus in het gezicht, en, zwak, uitgeput, bijkans bezwijkend, worsteldet gij tot gij de rots bereiktet, de onwankelbare, eeuwige rots desbehouds.

Maar zie, op diezelfde plaat, uit de woelende baren, verschijnt eene hand, niets dan eene hand, die zich krampachtig omhoog heft, als roepende . om hulpe.

Van wie is die hand ? Is zij niet het beeld van zoo menige verloren ziel, die roept om redding? Is zij niet het beeld van de heidenwereld, dié krachtiger dan door eene hoorbare stem, krachtiger dan door eene nachtelijke verschijning als van dien Macedonischeh man met de bede: //Kom over en help ons", door haren vreeselijken toestand van zonde en onkunde en ellende, u toeroept: //Bekommert het u niet, dat wij vergaan?" En van wie God zegt: //Redt degenen, die ten doode gegrepen zijn, want zij wankelen ter dooding zoo gij u onthoudt?"

Zullen wij haar te vergeefs laten roepen? Zullen wij

Sluiten