Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit het gezicht is verdwenen, en alsof de wereld zelve nu de gemeente was geworden. De vereeniging van belijders kan nauwelijks meer onderscheiden worden van eenige andere vereeniging. Zij is noch het een, noch het ander; »noch koud, noch heet." En toch is er in hoogmoed, grootspraak, geveinsdheid en zelfgenoegzaamheid, geene enkele gemeente ooit aan haar gelijk geweest. Zij geeft voor, dat zij rijk en verrijkt is, en geens dings gebrek heeft, en zij is de ellendige, de jammerlijke, de arme, de blinde en de naakte. Zij beeldt zich in dat zij alles is, wat zij zijn moet, en eigent zich zelve al de gunst en de zaligheid Gods toe, terwijl aan dienzelfden Heer, in wien zij belijdt te gelooven, in haar midden plaats wordt geweigerd en Hij wordt voorgesteld als uitgesloten, waar Hij, als zijn laatste roepstem doende hooren, eer Hij het schandelijk Babyion aan de oordeelen overgeeft, die het eerlang van de aarde zullen verdelgen, aan de deur staat en klopt. Diezelfde gemeente, die in haar aanvang bestond uit eene kleine vereeniging van liefhebbende, zichzelf opofferende en vervolgde heiligen , die uit de wereld verlost waren, is nu eene groote, zeer uitgebreide, karakterlooze zaak geworden, zonder Christus, »tot welke Jehova zegt: Ik zal U uit mijnen mond spuwen."

Ook kunnen wij uit de telkens veranderende houding, en het gedrag van den Heer, tegenover deze verschillende gemeenten, de gedurige uitbreiding van het kwade op geestelijk gebied naspeuren. Tot de eerste spreekt de Heer met de meest mogelijke zachtzinnigheid. Eerst prijst Hij haar met groote voldoening, en dan berispt Hij met groote zachtheid en met tegenzin. Op bijna denzelfden toon vervolgt de tweede brief, met een sterkere toespeling echter op de meer aaneengeslotene, en machtiger houding van eene vereeniging van Joodsche Christenen, die Hij lasteraars noemt. Maar in den derden

Sluiten