Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het geheel was er eene groote levensopwekking, en broederlijke liefde onder de Christenen. Dit alles vinden wij in den zesden brief geschilderd, en in de geschiedenis van de laatste honderd jaren vervuld. Hoe hoog Christus dezen staat van zaken schat, wordt ons ook bekend gemaakt. Hij verklaart, dat Hij hen liefheeft, die waarlijk liefhebben. Omdat het in hun hart is geweest om de overwinningen van het kruis uit te breiden, belooft Hij hun, dat Hij ze een geopende deur zal geven, die niemand kan sluiten, hoevele pogingen men ook moge aanwenden om hen tot zwijgen te brengen en in hunnen arbeid te belemmeren. Omdat zij Zijn woord bewaard hebben, en lijdzaam op, en om Hem gewacht hebben, belooft Hij, dat zij ook zullen bewaard worden uit de ure der verzoeking, die Hij dreigt te zullen doen komen over hen die onbekommerd voortleven. En wat de overigen aangaat, zij zijn de «Synagoge des Satans," en de Heer legt hun de verplichting op om zich te vernederen voor de voeten van zijne getrouwen. Er is nog eene andere verechijning. Zal ik zeggen dat die nog in de toekomst ligt, of is zij reeds daar ? Hier zijn nog altijd eenigen, die Christus liefheeft, meestal zulken, die vanwege de berispingen en kastijdingen van hunnen genadigen Heer lijden. Maar het lichaam van het Christendom is geheel afvallig, Christus staat buiten de deur en klopt om toegang te verkrijgen in zijn eigen erkende gemeente. Paulus profeteerde van de gemeente, dat de menschen in de laatste dagen zouden zijn, liefhebbers van zichzelven, geldgierig, laatdunkend, hoovaardig, lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder üefde tot de goeden, verraders, roekeloos,opgeblazen, meer liefhebbers der wellusten, dan liefhebbers Gods, hebbende eene gedaante van godzaligheid;

Sluiten