Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ds Doornbos heeft hier gearbeid tot 29 Maart 1869 en toen afscheid genomen met de woorden uit Handelingen 20:31, 32. Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaar lang nacht en dag, niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen. En nu, Broeders! ik bevele u Gode en den woorde Zijner genade, diè machtig is, u op te bouwen en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.

Dat het werk van dezen eersten predikant niet ongezegend is geweest, kan blijken uit 't feit, dat de gemeente sterk toenam in ledental en op bijna iedere kerkeraadsvergadering personen verschenen, vooral uit de N. H. Kerk, die begeerden zich bij de gemeente aan te sluiten.

In die jaren werden twee ouderlingen in het ambt bevestigd, die later veel bekendheid zouden verkrijgen en nog dikwijls genoemd, n.1. Jan Veurink en F. C. van der Vorm. De laatste was Amsterdammer van geboorte, wat ook in zijn optreden wel te merken was. Na zijn verkiezing kwamen er klachten in tegen hem van een viertal leden van Beerzerhaar, die hem voor ouderling niet geschikt achtten, omdat hij onder de prediking soms met de vingers door zijn haren streek en ook met de hand zijn hoed poogde glad te strijken. De bezwaren werden door den kerkeraad niet gedeeld. Veurink was bijna onafgebroken ouderling tot zijn dood in 1896. Van der Vorm stierf als ouderling in 1901.

Van de in 1864 gekozen ouderlingen bleef Van Wageningen in het ambt tot 1865, G. H. Diek tot 1872 en G. J. Toerse tot 1874.

Van de diakenen bleef J. Kroese tot 1873, K. W. Vaartjes tot 1874 en J. Valk tot 1891.

Tot de meest bekende personen, die later tot ouderlingen werden verkozen behooren : E. Jansen, gekozen in 1872, W. Dam 1873, F. Diek 1874, D. Westra 1884, L. Jansen 1886, R. Bosch 1892, L. Bouhuis 1894 en T. Visscher 1897.

Tot diakenen: L. van Dijk in 1873, P. Vaartjes 1877, K. Dam 1882, J. Toerse 1891. E. Keddeman 1892 en G. J. Staarman 1899.

Het waren eenvoudige menschen, de pioniers in het veenbedrijf, maar gehard door de moeiten, waaraan ze het hoofd moesten bieden, en het waren menschen met een gezond verstand.

Een van. hen, Marten Ningbers, schoonvader van Van der Vorm, was blijkbaar een filosoof van aanleg. Hij had zijn eigen gedachten en overleggingen over den toorn Gods, de Scheppingsdagen, de verhouding van Geest en Woord, van engelen en duivelen. In het jaar 1867 is hij hierover een paar maal gehoord op de kerkeraadsvergadering. Hij heeft den kerkeraad toen kunnen overtuigen, dat hij niet ongereformeerd was en geenszins tegen Gods Woord en de belijdenis wilde ingaan. De verzoening kon dan ook plaats vinden, maar hij werd vermaand zich voortaan wat voorzichtiger uit te drukken tegenover de leden der gemeente, 't Is wel merkwaardig te lezen hoe hij redeneerde. Hij ontkende geenszins, dat God toornt met een heilig misnoegen over de zonde. Dat had men wel van hem gezegd uit misverstand. Hij beweerde, dat Gods toorn en Gods liefde niet te scheiden zijn; dat. we kunnen zeggen,

Sluiten