Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat God uit liefde toornt, uit erbarmen Sodom en Gomorra te gronde richtte, om de toch onverbeterlijke zondaren niet verder te laten voortgaan in de zonde. Zoo vatte hij op 't Woord der Schrift: „In den toorn gedenkt Hij zijns ontfermens". Habakuk 3:2.

De Scheppingsdagen moeten naar zijn overtuiging wel tijdperken zijn geweest, maar Mozes moest van dagen spreken en wij moeten het ook zoo lezen. Ook mogen wij Gods Woord niet afhankelijk maken van de resultaten der natuurkunde.

Hij beleed wel, dat Gods Woord is geschreven door ingeving van den Heiligen Geest, maar hij zeide, dat ieder die 't Woord heeft, daarom den Geest nog niet heeft, dewijl de mensch van nature niet in staat is zich te bekeeren.

Toen Ds Doornbos in 1869 de gemeente ging verlaten, werd overlegd, dat een paar ouderlingen eenigen tijd de catechisaties zouden bijwonen om er slag van te krijgen en ze des te beter ter hand te kunnen nemen tijdens de vacature.

Op 24 October 1869 deed Ds J. H. Brilman zijn intrede. Hij bleef nauwelijks 2 jaren, vertrok op 27 Augustus 1871 naar Wilsum, Graafschap Bentheim, en vandaar in 1873 naar Holten, waar hij in 1875 overleed, slechts 42 jaar oud. Blijkens de notulen was het een rustige en dus gezegende tijd voor onze kerk in die paar jaar, met een gestadigen groei der gemeente.

Anders was het onder zijn opvolger, Ds. H. J. Schoolland, die hier ook nauwelijks 2 jaar is geweest, van 28 April 1872 tot 18 Januari 1874.

Er was toen deininig in de kerkelijke wateren. In 1872 werden bij de verkiezing van kerkeraadsleden, al de zittende leden, hoewel herkiesbaar, er uit gestemd, behalve J. Valk. Er was één diaken, die reeds ten tijde van Ds Doornbos moeite had gegeven en ook zelf eenigen tijd buiten den kerkeraad was geweest, maar in de dagen van Ds Brilman herkozen. Deze had actie op touw gezet tegen de aftredende kerkeraadsleden, met briefjes gewerkt in de gemeente en zelfs gezegd, dat diaken J. Valk bij zijn gratie was herkozen. Een dubbele kerkeraadsvergadering werd gehouden, waarbij Ds Kuiper van Den Ham presideerde, maar de bewijzen voor de gevoerde actie werden niet duidelijk genoeg bevonden, om de stemming onwettig te verklaren. De broeder diaken die hierin de hand had, is in 1873 het ambt ontnomen. Was zijn houding vóórdien al moeilijk, na dien tijd heeft hij tegen den kerkeraad en de dienstdoende predikanten geageerd met taaie volharding en velerlei middelen.

Ongeveer 14 jaar na zijn afzetting verscheen hij op de kerkerraadsvergadering, gepresideerd door Ds van Haringen, met de vraag om herstel in het diakenambt. De kerkeraad voelde zich echter niet geroepen een besluit, dat vóór 14 jaar genomen was, ongedaan te maken, wat ook niet op zijn weg lag, gesteld, dat het mogelijk was geweest.

Deze broeder wees nu op de ernstige gevolgen van zijn afzetting, waartoe hij rekende, dat ouderling G. J. Toerse voor 13 jaar naar de eeuwigheid was gegaan, dat de vrouw van diaken E. Jansen

Sluiten