Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij zélf is niet vijandig, integendeel. Maar hij kan maar niet zoo zonder meer volkomen tabula rasa maken met den overgeleverden gedachtengang en wordt daardoor beïnvloed. Hij meent te gelooven, en is dan, ten onrechte, verwonderd, dat hij in den Bijbel tegen komt een wereld van denken en spreken, die hem, al is hij godsdienstig, niet aantrekt, maar soms afstoot en tegen staat.

Wat nog ernstiger is en dieper gaat, hij is mensch. En de mensch wordt in den Bijbel niet zachtzinnig aangepakt.

Zeker, de mensch wordt daarin voorgesteld hoog en groot, wat betreft zijn afkomst en zijn bestemming, die hij in Christus Jezus ook weer bereikt.

Maar de mensch zooals hij nu is, de zelfmiddelpuntige, zelfgenoegzame en van God losgeraakte mensch, komt er in den Bijbel maar danig slecht af. Zijn aard wordt geteekend als zondig; zijn deugd wordt voorgesteld als een gruwel voor God; zijn godsdienst, dien hij zelf bedenkt, heet afgoderij.

En hij is genoeg mensch, om zich gekrenkt te gevoelen en zich af te keeren met de gedachte, dat hij zóó niet is, als de Bijbel hem teekent, en dat dit boek blijkbaar niet d» weg voor hem tot God is.

En als hij dan de menschen van den Bijbel tegen komt, de menschen, die daarin worden geteekend als de geloovigen, dan blijken deze te zijn zondige menschen, menschen zooals die waaraan hij zich zoo vaak geërgerd heeft in zijn leven, en hij weigert dezen als zijn „voorbeeld" te aanvaarden en keert zich verdrietig van dien Bijbel af, dien hij hoopvol ter hand genomen heeft.

Zoo ben ik al midden in mijn onderwerp gekomen. Ik wilde n.l.iets zeggen over het lezen van den Bijbel, over den omgang met den Bijbel, om ten slotte enkele practische wenken te geven voor wie den Bijbel werkelijk wil onderzoeken en daarin het eeuwige leven hebben.

Sluiten