Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

latingen oï invoegingen gronden. Veeleer past het den zooveel later levenden lezer het bij de bescheiden opmerking te laten, dat hier, gelijk zoo vaak in het Hebreeuwsch, het eerst wordt voortgezet, wat het laatst genoemd is. Zoo ontstaat dan wat we noemen de chiastische volgorde. We behoeven hiermede niet aan te nemen dat de auteur opzettelijk naar zulk een volgorde streefde.

Abraham heeft dus een ontmoeting met twee koningen. Niets in den tekst belet ons aan te nemen, dat ze tegelijk bij Abraham waren. De volgorde, waarin de gebeurtenissen verhaald worden, doet zelfs deze gedachte aan de hand. Het verschil in optreden en spreken tusschen de beide koningen blijkt er des te duidelijker door.

Wanneer alzoo de verzen 18—20 moeten gelden als een integreerend deel van het historische hoofdstuk Gen. 14, dan staat hiermede vast dat Melchizedek een historische persoon is.

Hoewel de Wellhausiaansche opvatting dat Melchizedek een fictieve persoon is, gecreëerd' met de bedoeling de pretenties der na-exilische priesterschap te Jeruzalem te wettigen, nog wel aanhangers vindt, in ieder geval de meening dat de Melchizedek-figuur een creatie is van het Jodendom, nog voorgestaan wordt, o.a. door Steuemagel en Procksch, is er toch bij jongere auteurs een toenemende neiging, deze historiciteit van Melchizedek te erkennen. Zelfs auteurs die Gen. 14 voor jong houden, erkennen, dat de vermelding van Melchizedek daarin ontleend is aan oud traditie* materiaal.

Van deze historiciteit kan ook zijn naam getuige zijn. Het laatste bestanddeel van dezen naam, Cedèk, komt ook voor in den naam van den in Joz. 10 genoemden koning van Jeruzalem. Men kan dit appellatievisch opvatten, n.1. als „gerechtigheid' (cf. Hebr. 7:2). Het kan echter ook een godennaam zijn: Cidq.14) Als bezwaar hiertegen

13) Bijv.__Cornill in zijn Einleitung, Skinner in de Int. Crit. Comm. Bij Gunkel (in zijn comm. op Gen.) en bij Kittel (in zijn comm. op de Psalmen) hangt deze meening samen met hun dateering van Ps. 110 in den tijd der Koningen.

14) Men vergel. o.a. Jirku, (Altor. Komm., pag. 61) die met den naam Cidqi-ilu bewijst, dat „Cedeq" een godennaam moet zijn.

Sluiten