Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorts wordt deze meening voorgedragen met het oog op de beteekenis, die men aan deze gebeurtenissen toekent. Ze zouden n.1. van politieke beteekenis zijn. Dat Melchizedek tienden gaf aan Abraham zou inhouden, dat het volk van Abraham recht had op Jeruzalem en zijn heiligdom. Hiermede wordt dan verworpen de gedachte dat deze gebeurtenissen dienen om de rechten van Israëls priesters tegenover het volk te rechtvaardigen, wat het geval zou zijn als Abraham de tienden geeft.

Wanneer wij, in aansluiting aan den brief aan de Hebreen, Abraham nemen als subject van den slotzin van vs 20, is dat echter nog niet om daar* mede ook bovengenoemde bedoeling aan deze handeling toe te kennen. Dergelijke bedoelingen passen bij een tendentieus geschrift van jongeren datum.

Abraham erkende Melchizedek in zijn priesterschap. Hierdoor blijkt nog te meer de waardigheid van dezen priesterkoning In zijn autoritair optreden heeft Abraham niets aanmatigends gezien. Dat hij hem tienden geeft doet blijken dat hij in hem een dienaar ziet van den God, dien hij zelf ook eert.

Zoo ontmoeten we door deze geschiedenis van Abraham en de koningen uit het Oosten een eerbiedwaardig persoon: de priesterkoning van Salem. Hem te vermelden is wel de hoofdbedoeling, waarom deze geschiedenis in de schriften Gods is opgenomen. Uit zijn optreden blijkt voorts zijn godsvrucht en zijn autoriteit. Zijn godsvrucht uit de eer die hij Gode brengt, bóven Abraham. Zijn autoriteit uit zijn priesterschap. Juist daarin is hij ongeëvenaard. Anderen uit den tijd van Abraham en vóór hem mogen misschien met hem gelijkstaan in godsvrucht, hij is de eenige, die den eenigen waarachtigen God diende als priester. De godsvrucht vertoont zich in hem in ambtelijken vorm. Daarvan is hij het geheel eenige voorbeeld vóór Israëls volksbestaan. Dat is het unieke van zijn verschijning. Naast Abraham staat hij als de meerdere, als een die „zegent" met autoriteit, als een die tienden ontvangt. Bij Abraham begint de stroom van Gods genade zich te verengen tusschen de oevers van één bepaald geslacht en volk. Wat anders is er buiten die oevers

Sluiten