Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mistische-", d.w.z. door priester-hand bewerkt. Ondanks die bewerking zouden er echter nog genoeg sporen van de enge betrekking tusschen koningschap en priesterschap zijn aan te wijzen.

Kittel en Gunkel geven dan beide een reeks van die sporen op, waaruit dus blijken moet, dat priesterschap en koningschap samenhooren, welk samengaan dan door den priesterstand (Deuteronomium!) werd betwist, maar door de profeten (Psalm 110!) verdedigd.

Zij voeren hiertoe aan dat de koningen zoo menigmaal priesterlijke bezigheden verrichtten. Zoo is geofferd door Saul te Gilgal (1 Sam. 13:9X door David bij de opvoering van de ark, bij welke gelegenheid hij zelfs een priesterlijk gewaad droeg (II. Sam. 6:13—17), en op den dorschvloer van Arauna (II Sam. 24:25), terwijl hij ook het water uit Bethlehems bornput plengde (II Sam. 23:16). Voorts door Salomo te Gibeon (I Kon. 8:22 etc.) en als de ark in den nieuwen tempel wordt geplaatst (1 Kon. 8:5 en 63). Hij offerde zelfs driemaal 'sjaars (I Kon. 9:25). Ook Jerobiam (I Kon. 12:26—33), Jehu (II Kon. 10:25) en Achaz (II Kon. 16:13) hebben geofferd. Eveneens hebben koningen het volk gezegend, David bij gelegenheid van de opvoering der ark en Salomo bij de inwijding van den tempel. Beide hebben ze ook voor het volk gebeden (II Sam. 24:17, I Kon. 8:22). Voorts wijzen ze er op, dat David zijn zonen wijdde tot priesters (II Sam. 8:18), dat de koning een bijzondere plaats had in den tempel (II Kon. 11:14), dat de priesters genoemd worden bij de koninklijke ambtenaren, omdat ze in naam des konings, den eigenlijken priester, hun ambt bekleedden (II Sam. 8:17, 1 Kon. 4:2, II Kon. 10:11). Eindelijk dat ook profeten als Jeremia (30:21) en Ezechiël (44:3; 45:15, 16, 22 ; 46:2) nog weten van priesterlijke rechten en priesterlijke plichten van een koning.

Wanneer zoo wordt aangenomen dat Ps. 110 uit den tijd der koningen is, doch Genesis 14 gehouden wordt voor een late Joodsche legende, geraakt men in de moeilijkheid hoe in dezen psalm dan Melchizedek kan worden genoemd. Zegt Gunkel dat Ps. 110 dezen naam niet aan Gen. 14 behoeft te hebben ontleend, maar er op zelfstandige wijze kan zijn aan gekomen, dan volgt daar uit, dat de Melchi-

Sluiten