Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

priesterschap. Evenwel wordt ons in 't O.T. niet met zoovele woorden gezegd waarin die grootheid bestaat. Op de vraag: wat is de beteekenis van Melchizedek en zijn priesterschap, kunnen we slechts antwoorden, dat 'tvan normatieve beteekenis is voor het priesterschap van den Messias, doch niet welke normen het in zich bevat. Over de beteekenis van Melchizedeks priesterschap wordt echter gesproken in den brief aan de Hebreen.

┬ž 28. Alvorens tot het Nieuwe Testament over te gaan willen we nog een enkele opmerking maken over het laatste gedeelte van Ps. 110, welks zin en samenhang met het voorafgaande zoo duister zijn.

Blijkens vs 2, waar we lezen, dat de HEERE vanuit Sion den scepter uitstrekt, moet deze psalm van David gesteld worden na de verovering van den burcht der Jebusieten. Deze verovering werd wel van groote beteekenis geacht. Aan den naam Sion werden terstond verwachtingen van eschatologischen aard verbonden. Ook trekt het de aandacht dat juist in dezen Psalm, die na de verovering van Sion gesteld moet worden en van deze verovering op indirecte wijze getuigt, de naam wordt genoemd van den koning van Salem uit de grijze oudheid der patriarchale tijden. Kan hier verklaring van gegeven worden? Heeft b.v. de verovering van Sion de figuur van Melchizedek weer in herinnering gebracht? We meenen dat 'tniet te gewaagd is op deze vraag bevestigend te antwoorden. We willen dit trachten aannemelijk te maken in verband met de herkomst van Genesis 14.

Wanneer dit hoofdstuk voor oud gehouden wordt, moet het natuurlijk ook een anderen oorsprong hebben dan de ├╝tteraire werkzaamheid van het latere Jodendom. Het vele bijzondere, dat in dit hoofdstuk voorkomt, brengt op de gedachte, dat de auteur uit een andere bron geput heeft, dan die, waaraan de andere geschiedenissen, welke op Abraham van betrekking zijn, ontleend zijn. Tot dit bijzondere rekenen we o.a. de namen der koningen uit het Oosten en die der koningen van de Pentapolis. De vermelding van het dal Siddim, met de opmerking dat dit de Zoutzee is. De dichterlijke zegswijzen van vers 10. De vermelding van het dal Sjaweh en de opmerking,

Sluiten