Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christelijk humanisme.

Dat nu ook de mens binnen de wijsbegeerte van den godsdienst aan de orde zal komen en wel op meer dan een plaats, behoeft geen uitvoerig betoog. Tot de werkelijkheid behoort de mens, een onderdeel van de wereldbeschouwing is de anthropologie. Wanneer een houdbare anthropologie opgebouwd zal worden, dient de wijsbegeerte ook en niet in de laatste plaats te luisteren naar den godsdienst. Maar reeds eerder ontmoet zij den mens. Godsdienst spreekt niet alleen over, hij is ook een aangelegenheid van den mens. Wel treedt ook en zelfs zeer in het bizonder in den godsdienst de mens buiten zichzelf, religie heeft toch een menselijken kant. Als over het wezen van den godsdienst gesproken wordt, zal ook het wezen van den godsdienstigen mens aan de orde moeten komen. Waar zeer belangrijk blijkt te zijn het godsdienstig weten, d.w.z. het geloof, zal in het bizonder ook gehandeld moeten worden over den gelovigen mens.

Voor de opbouw der wijsbegeerte en in het bizonder van de wijsbegeerte van den godsdienst zal het van groot belang zijn derhalve, welk antwoord men geeft op de vraag: wat dunkt u van den mens. Het maakt, om slechts een enkel voorbeeld te noemen, een groot verschil, of men den mens al dan wel niet de mogelijkheid toekent uit eigen vermogen God te kennen. Dat het antwoord op de gestelde vraag ook voor de geaardheid van den betrokken godsdienst zelf en dus ook voor den opbouw der theologie, zowel als wetenschap van den godsdienst in het algemeen als- in den zin van dogmatiek verstaan, uitermate belangrijk is, worde hier slechts ten overvloede gereleveerd.

Nu is het bekend genoeg, dat er binnen den godsdienst geen eenstemmigheid van oordeel is over den mens, zelfs niet binnen het Christendom, zelfs niet binnen het Protestantisme. Er zijn verschillende godsdienstige, Christelijke, Protestantse anthropologieën. Zoals er verschillende theologieën, christologieën enz. zijn. Wie over den godsdienst philosopheren wil, heeft dit feit van de veelheid van en binnen de godsdiensten te aanvaarden en zover hij kan te verklaren. Daarbij kan hij echter niet blijven staan, hij zal ook een keuze moeten doen. Doet hij dat niet, dan zal hij hoogstens een typenleer van de verschillende stelsels kunnen geven, maar niet zelf een bepaald stelsel voorstaan

Sluiten