Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

theoretisch bewezen kan worden. Wel is het van belang, wanneer blijkt, dat het wetenschappelijke en in het bijzonder het wijsgerige denken de godsdienstige oordelen ondersteunt, doordat het uit zichzelf tot resultaten komt, die wijzen in de richting der godsdienstige waarheid.

Wanneer wij nu vragen, in hoeverre de nieuwere wijsbegeerte steun levert aan een christelijk humanisme, dan is het van belang, eerst te vragen, waar wij de grens van nieuw en nieuwer trekken. Dat Kant en het Duitse idealisme bondgenoten zijn in den strijd voor het humanisme, is bekend genoeg. De wijsbegeerte van den nieuwen tijd is humanistisch. Dat zij echter met het christendom op gespannen voet staat, is door Groos en anderen voldoende aangetoond. 25) Dat daarbij de schaal wel eens te veel naar den anderen kant is doorgeslagen, staat voor mij vast. In de nieuwe wijsbegeerte één uiting van overmoed te zien, zoals b.v. prof. Dooyeweerd doet, Z6) is toch wel volslagen onjuist. Men behoeft slechts te bedenken, dat in het middelpunt van de Kantiaanse philosophie het „du solist", dus het besef van het normatieve staat. Ondanks alle bezwaren, kunnen wij de nieuwe wijsbegeerte niet eenvoudig als zondeval der philosophie negeren, maar zullen wij geduldig naar haar moeten luisteren en bescheiden van haar willen leren.

In elk geval kunnen wij van deze philosophie nog steun verwachten. Anders schijnt het te zijn bij de nieuwere. Heinemann, Pleszner en Beerling, 2T) om maar enkele namen te noemen, hebben ons wel duidelijk gemaakt, dat in de philosophie een „„crisis der zekerheden" 28) heerst. Dat deze samen hangt met de „crisis van den mens" in het algemeen, maakt de zaak niet hoopvoller doch integendeel wanhopiger. Heideggers philosopheren is uitgelopen op het niets, het kernbegrip van Jaspers wijsbegeerte is dat van het „Scheitern". Het schijnt, dat een wijsgerig nihilisme dreigt. In zijn nieuwste geschrift betoogt Heinemann, dat onze philosophie voorlopig voor-philosophie moet zijn. 29) Trouwens, dat hij haar met Odysseus vergelijkt, is niet opbeurend. In dezelfde hjn ligt ook de titel van een hoofdstuk uit het bedoelde werk van prof. Pleszner: „Philosophie auf der Suche nach ihrem verlorenen Beruf." 80) Het schijnt, dat wij op geen enkel gebied voorlopig veel

Sluiten